DZ/CWZ/CZE/EZ/MMC

Bijziendheid (myopie): min / negatieve glazen

Inhoudsopgave:

Het normale oog (zonder brekingsafwijking)
De lichtstralen of beelden worden op het netvlies geprojecteerd via het hoornvlies en de lens. De brekingssterkte van een lens wordt uitgedrukt in dioptrieën (zoals de sterkte van een vergrootglas). Hoe groter het aantal dioptrieën, hoe sterker de lens. De brekingssterkte van het hoornvlies is ongeveer 40-45 dioptrieën, die van de lens is ongeveer 20-22 dioptrieën. Bij elkaar opgeteld worden de lichtstralen door het hoornvlies en lens ongeveer 60-65 dioptrieën gebroken.

Bij een normaal oog vallen de lichtstralen (beelden die we waarnemen) precies op het netvlies. Een voorbeeld van normale breking (normale refractie):

     


Wat zijn refractie-afwijkingen?
Een refractie afwijking houdt in dat bij één of beide ogen een bepaalde fout zit in het brekingssysteem waardoor de beelden niet goed geprojecteerd worden op het netvlies. Er is dan geen sprake van een oogziekte of zwakte maar van een refractie- of brekingsafwijking. Er zijn verschillende refractie afwijkingen mogelijk: bijziendheid (myopie), verziendheid (hypermetropie), cilindrische afwijkingen (astigmatisme).

Animatiefilm (alleen op website, met geluid)


In deze folder wordt de bijziendheid (myopie) besproken. Er ontstaat een onscherp beeld op het netvlies (zie linker foto) hetgeen scherp te krijgen is na een brilcorrectie (zie rechter foto):
  →
(van fa Alcon, met toestemming)

De sterkte van een willekeurige lens (bijv. een vergrootglas, hoornvlies of lens), ofwel het brekend vermogen, wordt uitgedrukt in dioptrie (D). De brandpuntsafstand is het punt waar alle lichtstralen tesamen komen en een scherp beeld ontstaat. Dit wordt uitgedrukt in meters (afkorting f van focus). De omrekening is: D = 1/f. Een voorbeeld: bij een lens met een sterkte van 3 D ligt de brandpuntsafstand op 33 cm.

De brilsterkte wordt uitgedrukt in een sferisch (S) en een cylindrisch (C) getal, de sterkte ervan in "dioptrie" (afkorting D). Deze afkortingen worden bij elke behandeling (hierna) vermeld. Een voorbeeld van een brilrecept: S -4.0 * C -3.0 as 90 graden).

Wat is bijziendheid (myopie)?
Wanneer het hoornvlies te bol is of het oog te lang is, dan worden de binnenvallende lichtstralen te veel gebroken.   Hierdoor vallen ze niet op, maar vóór het netvlies (in het glasvocht). Zie tekening hiernaast. Op het netvlies zelf ontstaat dus geen scherp beeld; men spreekt dan van myopie (bijziendheid).

Myopie kan 2 oorzaken hebben: een te sterk brekend vermogen (door het hoornvlies of de lens) of een te grote oogaslengte (te lang oog). De eerste vorm wordt wel een "brekingsmyopie" genoemd, de tweede vorm wordt wel een "as-myopie" genoemd.

Bij mensen met bijziendheid is het oog meestal langer dan normaal, de as-myopie komt dus het meeste voor. De brekingsmyopie is zeldzaam.

Bijziendheid kan in combinatie voorkomen met astigmatisme (cilindrische afwijking), zie elders op deze website (cylinder).

Bij myopie valt het beeld van een voorwerp, wat zich op afstand bevindt, vóór het netvlies. Je ziet het beeld dan onscherp. Maar wanneer het voorwerp zich op leesafstand bevindt, dan verplaatst dit beeld zich in het oog naar achteren en komt het dus wel op het netvlies terecht (de afstand waarop het voorwerp scherp wordt waargenomen, is afhankelijk van de sterkte van de myopie). Dit beeld is dan scherp. Vandaar dat men in de volksmond zegt "een myoop of bijziend oog kan voorwerpen dichtbij goed zien, maar op afstand niet").
In het rechter plaatje is de vlinder dichtbij scherp, de boom en stoelen in de verte zijn onscherp.

    
afk van Alcon (toestemming)

Indeling myopie
Men kan de myopie indelen in:

Wanneer ontwikkelt zich de myopie?

  1. Congenitale myopie (aangeboren myopie). Een klein percentage kinderen wordt geboren met een myopie. Dit leidt vaak tot een ernstigere vorm van myopie.
  2. Juveniele myopie (myopie op jonge leeftijd). Dit is een myopie die begint tussen het 7e en 16e jaar. Het wordt veroorzaakt door een toename van de lengte van het oog. Risicofactoren zijn o.a.: vroeggeboorte, myopie in de familie, esoforie (ogen neigen naar binnen te draaien), astigmatisme tegen de regel (zie folder) of intensief dichtbij werken. Progressie (verergering) van de myopie van 1D of meer wordt waargenomen bij ongeveer 15-25% van de kinderen in de leeftijdscategorie van 7-13 jaar. De grootste toename in het voorkomen van myopie ligt bij meisjes in de leeftijd van 9-10 jaar, bij jongens in de leeftijd van 11-12 jaar. Hoe vroeger de myopie ontstaat, des te groter de progressie. Myopie die begint na het 16e levensjaar komt minder vaak voor en is ook minder ernstig. De progressie van myopie stopt meestal rond het 15e jaar (meisjes) of 16e jaar (jongens). De refractie-afwijkingen stabiliseren bij ongeveer 75% van de pubers. Regelmatig de oogsterkte laten opnemen op de kinderleeftijd is noodzakelijk. De myopie komt zelden boven de -5 D. Soms kan de progressie doorgaan tussen het 20e en 40e jaar.
  3. Adult-onset myopie (myopie op volwassen leeftijd). Deze myopie begint rond het 20e levensjaar. Intensief dichtbij werken vormt een risicofactor voor het ontstaan van deze myopie. Men schat dat 20-40% van de mensen met een lage verziendheid (hypermetropie) of emmetropie (geen brilsterkte), die intensief dichtbij-werk verrichten, een myopie ontwikkelen voor de leeftijd van 25 jaar (terwijl bij mensen die deze werkzaamheden niet verrichten, ongeveer 10% myoop wordt). Soms kan bij jong volwassenen, na een periode van stabilisatie van de myopie, alsnog een progressie optreden van de myopie. De theorie is dat bij intensief dichtbij werken er een aanpassing optreedt (emmetropisatie). Echter deze aanpassing geldt voor dichtbij werken waardoor voor op afstand kijken een bril nodig is (bijziendheid).
    Vanaf middelbare leeftijd kan een myopie ontstaan (of een toename ervan) door verandering van de eigen ooglens, bijv. door staarvorming. Dit wordt myopiserend cataract (staar) genoemd.

Oorzaken, frequentie van myopie
Het is nog onvoldoende duidelijk waarom myopie ontstaat. Een combinatie van omgevingsfactoren en genetische (erfelijke) spelen een rol.
Omgevingsfactoren: myopie lijkt geassocieerd te zijn met opleidingsstatus van ouders, intensief dichtbij werken (bijv. lezen) en minder veraf werken (bijv. sport). Voeding zou mogelijk een rol kunnen spelen, maar dit is nog onvoldoende bekend (bij ondervoede Afrikaanse kinderen komen vaker refractie-afwijkingen voor).
Erfelijke factoren: de refractie-afwijking van de ouders spelen een rol (myopie komt vaker in families voor). Erfelijkheidsstudies laten zien dat myopie (en met name de hoge myopie) geassocieerd is met bepaalde genen of met genetische varianten (SNP's) in bepaalde genen (bijv. bepaalde glycoproteinen die in de harde oogrok zitten). De erfelijke factoren spelen waarschijnlijk een belangrijke rol.

Prevalentie: hoe vaak komt myopie voor in de bevolking?
Het voorkomen van myopie (prevalentie) is sterk afhankelijk van de regio. In China en Taiwan komen veel meer myopen voor dan in de westerse landen. In het algemeen is de prevalentie (aantal myopen) in de westerse wereld ongeveer 15 - 30%, in aziatische landen kan het oplopen tot 80%.
De prevalentie van hoge (pathologische) myopie, dwz een hoge brilsterkte van > - 6 D, bedraagt in de westerse landen ongeveer 2.8 - 4.6% en in de aziatische landen ongeveer 15 - 25%.
Lees verder in folder:  refractie-afwijkingen: algemeen 

Verandering van de myopie (bijziendheid) in de loop van het leven
Lees verder in folder: refractie-afwijkingen: algemeen

Klachten van bijziendheid (myopie)
De beelden in de verte zijn onscherp (vallen vóór het netvlies, zie tekening hierna). Bij het lezen is, afhankelijk van de sterkte van de myopie, het beeld wel scherp.   De myoop is meestal in staat om tot op hoge leeftijd de kleine letters zonder bril te lezen.

Hoe werkt dit nu: iedereen moet bij het lezen accommoderen om een scherp beeld te kunnen zien. Met andere woorden, om te kunnen lezen moeten de lichtstralen extra gebroken worden om op het netvlies te vallen (ongeveer + 3 dioptrieën extra).  Bij myopen worden de lichtstralen al extra (teveel) gebroken zonder een brilcorrectie. Dus een myoop van -3 dioptrie zal dan zonder brilcorrectie kunnen lezen (hij zet zijn eigen verafbril af). Vandaar dat men in de volksmond zegt: een bijziend oog kan niet goed veraf kijken, maar wel dichtbij kijken.

Toch kunnen ook myopen problemen hebben met kijken dichtbij. Dat is met name het geval bij hoge myopie. De mate van myopie bepaalt immers tot welke afstand iemand scherp ziet. Iemand met een myopie van -3 dioptrieën kan zonder accommodatie en zonder brilcorrectie scherp zien op 33 cm (de brandpuntsafstand genoemd). Een myoop van -5 dioptrieën ziet scherp op 20 cm. Maar als een persoon met een myopie geen (bril)correctie draagt, heeft hij in de verte een wazig beeld.

Een (bril)correctie met een negatief of min-glas geeft een scherp beeld op afstand maar het beeld is iets verkleind. Hoe sterker de brilcorrectie, des te kleiner de patiënt het beeld ziet. Als beide ogen dezelfde sterkte hebben, zal de persoon dit niet zo merken. Behalve dat een myoop de beelden kleiner ziet dan normaal, zien de omstanders de ogen van een myope persoon achter de brillenglazen ook kleiner dan normaal.

Het myope oog heeft, in tegenstelling tot een verziend (hypermetroop) oog, niet de mogelijkheid om door accommodatie zichzelf te corrigeren. Immers door accommodatie verplaatst het beeld nog verder vóór het netvlies en zou het daardoor waziger worden. Maar door het toeknijpen van de oogleden kan de myoop de verstrooiingscirkel (het onscherpe beeld) op het netvlies verkleinen, waardoor de gezichtsscherpte op afstand wel iets verbetert.

Meten van de myopie bij kinderen
Op volwassen leeftijd is de mate van de myopie eenvoudig te meten. De patiënt kijkt op afstand naar een visuskaart en leest zelf de letters voor terwijl de onderzoeker (opticiën of optometrist) proefglaasjes voor het oog plaatst. Dit wordt een subjectieve refractie genoemd (d.w.z. de patiënt leest zelf de letters voor).
Het subjectieve refractieonderzoek is bij kinderen veel lastiger doordat:

Correcties van bijziendheid (myopie)
Wil men bij een brekings- of refractie-afwijking het beeld toch scherp op het netvlies krijgen dan heeft men een correctie nodig. Bij myopie komen de lichtstralen vóór het netvlies terecht. De behandeling bestaat uit het afzwakken van het brekend optisch systeem (bestaande uit het hoornvlies en de lens), d.m.v. een correctie.

De correctie voor myopie kan bestaan uit (zie op website www.oogartsen.nl):

  1. een bril (zie folders "Brilsterkte")
  2. contactlenzen (zie folders "Contactlenzen")
  3. een laserbehandeling (zie folders "Refractie chirurgie")
  4. een kunstlensimplantatie (zie folders "Ooglens: staar")

1)  Bril
Om bijziendheid (myopie) te verhelpen voorziet men de bril van negatieve min-glazen. Bij bijziendheid ligt het brandpunt vóór het netvlies; de negatieve glazen zorgen ervoor dat het brandpunt naar achteren wordt verplaatst zodat het weer op het netvlies terecht komt. 
Schematisch:
 f = brandpunt van de lens

Een negatief of  min-glas breekt de lichtstralen van elkaar af (of gaan uit elkaar) waardoor de lichtbundel onder een andere hoek het oog (het hoornvlies) bereikt (een divergerende lichtbundel genoemd). Een min-glas wordt ook wel een divergerend glas genoemd. Een min-glas zorgt ervoor dat de beelden verplaatst worden naar achteren, zodat die op het netvlies terechtkomen.
De bril heeft sferische glazen, d.w.z. dat de breking van lichtstralen in alle meridianen (richtingen) gelijk is. Praktisch:

    
Het beeld wordt verplaatst van vóór naar achterin het oog waardoor het uiteindelijk op het netvlies terecht komt.

2)  Contactlenzen
Een tweede mogelijkheid om beter te zien is het dragen van contactlenzen. De brekingssterkte van het hoornvlies ligt tussen de 40 en 45 dioptrieën. Dit brekend vermogen wordt bepaald door de bolling van het voor- en achtervlak van het hoornvlies en de brekingsindexen (de overgang van lucht --> hoornvlies --> kamerwater). Het voorvlak van het hoornvlies heeft een brekend vermogen van + 49 D, het achtervlak ervan een brekend vermogen van ongeveer -6 D, tesamen ongeveer 43 D.
Bij een contactlens krijgt het voorvlak een andere bolling. Het voorvlak wordt dan immers overgenomen door de contactlens (en wordt niet meer gevormd door het hoornvlies).
Het principe van een contactlens met een negatieve of min-sterkte is vergelijkbaar met die van een brilcorrectie. Omdat een contactlens dichterbij het oog zit (op het hoornvlies) dan de bril, is de sterkte van een contactlens iets minder dan die van een bril. 
In principe zijn er twee soorten contactlenzen:

a) harde zuurstofdoorlaatbare lenzen:
Dit zijn kleine lenzen met een doorsnede van maximaal 10 mm en een levensduur van gemiddeld twee jaar. Dit wordt ook wel een RGP-lens genoemd (zie folders).
b) zachte lenzen:
Deze lenzen zijn wat groter (14 mm). Ze zijn zacht omdat ze water opnemen. Dit verbetert het draagcomfort. Het nadeel is dat ze ook bacteriën kunnen opnemen en er een verhoogd risico op infectie bestaat, zeker wanneer deze lenzen dag en nacht achtereen gedragen worden. De hygiëne voor onderhoud en vervanging is dus erg belangrijk. Er zijn dag-, week-, maand- en half jaar vervangsystemen.

Er bestaat de mogelijkheid om cilinder afwijkingen in lenzen aan te brengen (= torische contactlenzen). Ook is het mogelijk een leesgedeelte aan te brengen in een contactlens (= multifocale contactlenzen).
Uitgebreide informatie over lenzen vindt u op de website www.oogartsen.nl  in het hoofdmenu "Contactlenzen".

3)  Laserbehandeling   → lees meer
Met de laser kan de brekingssterkte van het hoornvlies verminderd worden, hetzij direct vanaf de oppervlakte van het hoornvlies (PRK = photo refractieve keratectomie), hetzij in de diepte na het maken van een flapje (LASIK of LASEK).

4)  Lensimplantaties  → lees meer
Ook is het mogelijk om een lens aan te brengen in het oog vóór de eigen lens ("lens implantatie"). Ook kan men de eigen ooglens verwijderen en een aangepaste kunstlens implanteren (clear lens extraction 
Voor uitgebreide informatie over refractiechirurgie kunt u terecht op deze website bij "Refractiechirurgie".

Oogheelkundige afwijkingen bij hoge myopie
Ongeveer 30% van de mensen met bijziendheid (myopie) heeft een hoge myopie (een brilsterkte van > -6 dioptrieën, een lengte van het oog van > 26.5 mm). Dit komt overeen met ongeveer 2.5 - 4.5% van de bevolking. Andere termen voor een hoge myopie zijn: progressieve myopie, pathologische myopie of degeneratieve myopie.
Bij een hoge myopie is er sprake van een progressieve toename van de oogaslengte. Mensen met een hoge myopie hebben meer kans op staar, glaucoom, macula degeneratie en netvliesafwijkingen, zoals zwakke plekken in het netvlies, een netvliesloslating en afwijkingen in de gele vlek. Voor meer informatie, inclusief foto's → lees verder.  



Deze folder is afkomstig van www.oogartsen.nl  (Deventer ziekenhuis); een samenwerkingsverband tussen het Deventer ziekenhuis (Deventer), CWZ (Nijmegen), Catharina ziekenhuis (Eindhoven), Elisabeth ziekenhuis (Tilburg) en Maxima Med. Centrum (Veldhoven), copyright.
Voor de aandachtsgebieden van oogartsen, zie aandachtsgebieden (subspecialisaties).

Update: 13 februari 2010


print deze pagina
 
ga naar boven