DZ/CWZ/CZE/EZ/MMC

Bloedvat afsluiting in het netvlies van het oog

Inhoudsopgave:


Inleiding: netvlies en bloedvaten

Het netvlies vormt de binnenbekleding van het oog. Het beeld van de buitenwereld wordt door het netvlies opgevangen en via de oogzenuw naar de hersenen doorgegeven. In het centrum van het netvlies ligt de zogenaamde gele vlek (macula). Hiermee kunnen fijne details worden waargenomen, zoals nodig is bij lezen of televisie kijken. De rest van het netvlies zorgt voor het gezichtsveld en geeft ons een breed, maar minder scherp beeld van de ruimte om ons heen. Het glasvocht is een soort gelei die het grootste deel van het oog opvult.

      
links: doorsnede van het oog met aan de achterzijde het netvlies (de binnenbekleding)
rechts: het netvlies vanaf de vóórzijde bekeken (met oogzenuw en normale bloedvaten)


De bloedvoorziening in het oog bestaat uit toevoerende en afvoerende bloedvaten. De arteriën (slagaders) voeren het bloed aan, de venen (aders) voeren het bloed weer af. Deze bloedvaten lopen in of uit het oog via de oogzenuw (zie ronde schijf in de rechter foto). Bij een bloedvatafsluiting krijgt het netvlies te weinig bloed en zuurstof waardoor het oog minder gaat functioneren. Er zijn 3 typen afsluitingen: 

  1. veneuze afsluiting(en) in het netvlies: afsluiting van de afvoerende bloedvaten (aders)
  2. arteriële afsluiting(en) in het netvlies: afsluiting van de toevoerende bloedvaten (slagaders)
  3. bloedvat afsluiting in de oogzenuw (de nervus opticus) 

Bij vaatafsluitingen wordt een onderscheid gemaakt tussen een afsluiting in een slagader (arterie) en die in een ader (vene). Een afsluiting in een slagader in het oog kan worden vergeleken met een hartaanval of een herseninfarct. Een afsluiting in een ader met een thrombosebeen.

Onderzoek
De diagnose wordt gesteld door oogheelkundig onderzoek waarbij de pupil verwijd wordt om het netvlies goed te kunnen beoordelen. Door deze druppels zal het zicht tijdelijk wazig zijn. Soms worden contrastfoto's (FAG of fluorescentie angiogram), een gezichtsveldonderzoek of OCT gemaakt om de definitieve diagnose te stellen en de mate van schade vast te stellen. Deze onderzoeken worden op de website www.oogartsen.nl uitvoerig beschreven.

Animatiefilm (alleen op website, met geluid)
- retinal vein occlusions = bloedvatafsluiting
- macula edema = vocht onder de gele vlek (het centrale deel van het netvlies



In de folder worden verschillende afsluitingen besproken

Veneuze afsluiting (aders) in het netvlies

Inleiding/beschrijving (BRVO, CRVO)
Een bloedvat dat bloed uit weefsels afvoert, wordt een vene of ader genoemd (afvoerend bloedvat). In het oog zijn er 4 takken van venen die tezamen komen en de hoofdader gaan vormen. Deze hoofdader loopt vervolgens via de oogzenuw naar de hersenen toe. Door de afsluiting ("trombose") van één of meerdere van deze takken  kan het bloed niet meer uit het netvlies afgevoerd worden. De bloedvatwanden gaan dan lekken waardoor bloed, vocht en eiwitten in het netvlies terecht komen. Daar waar de lekkage is opgetreden, functioneert het netvlies slechter en gaat het zicht achteruit of wordt een vlek waargenomen. De ernst is afhankelijk van de hoeveelheid venen die afgesloten zijn.
Er zijn meerdere vormen van veneuze afsluitingen. In het medisch jargon spreekt men ook wel van een RVO: Retinale Veneuze Occlusie (vertaald: bloedvatafsluiting van een ader in het netvlies):

Van alle veneuze afsluitingen is ongeveer 75% een BRVO, 10% een HRVO en 15% een CRVO.

a)  Venetak occlusie (BRVO)
Bij een afsluiting (occlusie) van één kleine ader (vene) wordt een klein deel van het netvlies aangetast. Dit wordt ook wel een "Branch Retinal Vein Occlusion (afgekort met BRVO)" genoemd. Indien bijvoorbeeld een onderste tak (bloedvat) is aangedaan, zal de patiënt een vlek zien aan de bovenzijde (gespiegeld) en omgekeerd.
Bij een deel van de patiënten ontstaat ook vocht in het centrum van het netvlies (de gele vlek of de macula). Dit wordt macula-oedeem genoemd. Dit ontstaat bij ongeveer 60% van de patiënten en is de belangrijkste reden van een verminderd gezichtsvermogen bij een BRVO.
In onderstaand voorbeeld ziet u een afsluiting van de bovenhelft van het netvlies (zie foto rechts). De patiënt neemt dan een vlek waar aan de onderzijde (gespiegeld beeld):

  designed by dr Brasse, Vreden

Voorbeelden van een bloedvatafsluiting van één van de vier hoofdtakken van een ader:
  
links: een BRVO (één tak) met trombose in de bovenste tak (patient ziet een vlek aan de onderzijde)
rechts: een BRVO in de onderste tak (uitval van de onderste helft van het gezichtsveld)

  
links: een kleurenfoto van het netvlies met een BRVO
rechts: een contrastfoto van het netvlies met onvoldoende bloedvoorziening

b)  Venestam occlusie (CRVO)
Wanneer de grote hoofdader in de oogzenuw van het netvlies afgesloten is, treedt de lekkage in het gehele netvlies op, dus van alle vier takken van de hoofdader. Dit wordt ook wel een "Central Retinal Vein Occlusion (afgekort met CRVO)" of een "venestam occlusie" genoemd. De CRVO kan verder onderverdeeld worden in een:

Voorbeelden van een CRVO: bij een venestam occlusie (CRVO) heeft de trombose plaatsgevonden in de hoofdader. Deze hoofdader bevindt zich in de oogzenuw. De patiënt ziet dan een wazige vlek in het gehele gezichtsveld.
links: ischemische vorm
rechts: niet-ischemische vorm

  

Soms zijn 2 takken afgesloten waardoor de boven- of de onderhelft van het netvlies aangedaan is. Deze halfzijdige afsluiting wordt dan HRVO (hemi-retinale veneuze occlusie), of "hemi-CRVO" genoemd. In een enkel geval zijn 3 takken aangedaan.
  
linker foto: afsluiting van 2 afvoerende takken (HRVO of hemi-CRVO genoemd)
rechter foto: afsluiting van 3 afvoerende takken

Oorzaken, mechanisme en ontstaanswijze van veneuze afsluitingen
De vaatafsluiting wordt veroorzaakt door veranderingen in de vaatwanden. Hierdoor verandert de bloedstroom (turbulentie) met risico op een soort trombose van de ader. Het mechanisme van de vaatafsluiting is niet goed bekend.

Er zijn vele oorzaken en risicofactoren van vaatafsluiting bekend o.a.

Complicaties
De ernstigste vormen zijn de ischemische CRVO en BRVO. Hierbij gaan in grote delen van het netvlies de bloedvaten dicht zitten. Deze afsluiting van bloedvaten leidt tot zuurstoftekort, hetgeen ischemie wordt genoemd. Bij een deel van deze patiënten ontstaan, als gevolg van deze ischemie, nieuwe broze bloedvaatjes (neovascularisaties genoemd). Deze zijn echter slecht van kwaliteit en gaan snel bloeden. Deze neovascularisaties kunnen ontstaan in het netvlies en in het regenboogvlies (rubeosis genoemd). In het netvlies kan het leiden tot bloedingen in de glasvochtruimte, in de iris kan het leiden tot een hoge oogdruk die moeilijk te behandelen is (neovasculair glaucoom genoemd). De kans op rubeosis is groter bij mensen die een laag gezichtsvermogen bij aanvang hebben en bij mensen waarbij grote delen van het netvlies onvoldoende zuurstof krijgen.

Foto: rubeosis: abnormale bloedvaatjes op het regenboogvlies (iris)

nieuwe bloedvaatjes op iris nieuwe bloedvaatjes op de iris, rubeosis nieuwe bloedvaatjes op iris, rubeosis

Hoe vaak komt een veneuze afsluiting voor?
De veneuze afsluiting (RVO: retinale veneuze occlusie) kan worden ingedeeld in een
- BRVO (veneuze takocclusie) en een
- CRVO (veneuze stamocclusie ofwel een volledige afsluiting).
In een grote studie (2010) zijn de gegevens van verschillende werelddelen (VS, Europa, Australie, Azie) samengevoegd. Uit deze studie bleek het volgende:

Het natuurlijke beloop / prognose (zonder behandeling)
In de loop der tijd kan de gezichtsscherpte zich stabiliseren, verslechteren of soms verbeteren (volledig herstel treedt zelden op). Indien grote gedeeltes van het netvlies door de afsluiting te weinig zuurstof krijgen, worden als reactie nieuwe bloedvaatjes door het netvlies aangemaakt (neovascularisaties). Deze vaten zijn echter van slechte kwaliteit: ze lekken snel en kunnen aanleiding geven tot bloedingen in het netvlies of in de ooggelei (glasvocht). Soms leidt dit tot ernstige drukverhogingen in het oog (neovasculair glaucoom). De vorming van deze slechte bloedvaten kan vaak worden voorkómen d.m.v. een laserbehandeling (zie hierna bij behandelingen bij "laserbehandelingen").

a) Het spontane beloop van een venetak occlusie (BRVO): 
De incidentie (aantal nieuwe gevallen per jaar) bedraagt ongeveer 0.21% bij mensen boven de 40 jr.
Een groot deel van de patiënten (75%) klaagt over een plotselinge, pijnloze vermindering van het gezichtsvermogen, soms wordt uitval van het gezichtsveld waargenomen. Enkele gegevens over de BRVO:

b) Het spontane beloop van een venestam occlusie (CRVO):
De prognose wordt met name bepaald door schade van de bloedvaten in de gele vlek.
Er zijn 2 vormen van een CRVO: een niet-ischemische vorm (het netvlies wordt nog voldoende van bloed/zuurstof voorzien) en een ischemische vorm (het netvlies heeft een tekort aan bloed/zuurstof). Dit onderscheid is van belang omdat er een duidelijk verschil is tussen beide vormen in het gezichtsvermogen bij het stellen van de diagnose (begin-visus), de mate van uitval van het gezichtsveld (het zien van de omgeving), de prognose van het gezichtsvermogen en het gezichtsveld en het ontstaan van eventuele complicaties.

Het gezichtsvermogen direct na het ontstaan van de afsluiting is mede bepalend voor het uiteindelijke herstel van het gezichtsvermogen:

De resultaten van het spontane beloop en herstel is erg afhankelijk van de wetenschappelijke studie en de definitie die daarin wordt gehanteerd (m.a.w. valt de patiënt in de groep van de niet-ischemische of de ischemische vorm). Dit bepaalt namelijk primair de prognose.

Risico andere oog?
Bij patiënten die een vorm van een retinale veneuze occlusie hebben gehad, bestaat er een verhoogd risico op het krijgen van een veneuze occlusie in het andere oog (globaal 5-10% in 10 jaar tijd). Deze dubbelzijdige aandoening komt vaker voor bij een CRVO dan bij een BRVO.

Behandelingen
De volgende stappen/items zijn van belang bij de behandeling van de bloedvatafsluitingen: screening op de risicofactoren, behandeling met medicamenten, een laserbehandeling, injecties in het oog met medicijnen en soms een operatie.

1. Screening op risicofactoren
Screening op risicofactoren is van belang om de kans op een 2e afsluiting, in het oog of in het lichaam, te verminderen (door de huisarts of internist). Het gaat m.n. om hartvaatziekten (zoals bij de ontstaanswijze uitgelegd gaat het vooral om arteriele of slagaderlijke aandoeningen). Voorbeelden zijn: de behandeling van een hoge bloeddruk, suikerziekte, hoge cholesterolwaarden en het advies om te stoppen met roken. Bij jonge mensen wordt een uitgebreider bloedonderzoek verricht.

2. Injecties van medicijnen in het oog (intravitreale injecties)
Bij een bloedvatafsluiting krijgt het netvlies onvoldoende zuurstof (retina ischemie). Dit leidt tot een toename van bepaalde groeistoffen in het oog, oa VEGF. Deze verhoogde concentratie van VEGF kan leiden tot lekkage van vocht en het vormen van nieuwe (slechte) bloedvaten (neovascularisaties). De behandeling is er dan ook op gericht om deze VEGF weg te vangen en/of de vochtlekkage te verminderen (bijv. d.mv. prednison-achtige middelen of VEGF-remmers). De behandelingen bestaat uit injecties in de glasvochtruimte met triamcinolon (Kenacort) of een VEGF-remmer (Avastin, Lucentis en Eylea). Hiervoor zijn aparte folders beschikbaar op de website (folders Avastin/Lucentis/Eylea/Kenacort). Meerdere injecties zijn vaak nodig en het is onbekend hoe lang de behandeling nodig is. Injecties kunnen de volgende effecten hebben: verbetering van het gezichtsvermogen, verkleinen van de wazig vlek (scotoom) en het verminderen van vocht in het netvlies (netvliesdikte). 

De resultaten van de intravitreale injecties zijn veelbelovend en spelen een belangrijke rol bij de behandeling van bloedvatafsluitingen. De resultaten zijn afhankelijk van diverse factoren, o.a de ernst van de aandoening, de duur van het onderzoek (follow-up) en het behandelprotocol (aantal injecties). Vandaar dat de getallen slechts een indruk geven (5 letters komt overeen met 1 regel op de letterkaart).

  1. BRVO: De eerste studies (met een onderzoeksperiode van 6-24 maanden) met Lucentis/Avastin tonen het volgende aan:
    • gemiddeld neemt het gezichtsvermogen ongeveer 16-18 letters (± 3-4 regels) op de letterkaart toe in de behandelde-injectie groep en 3-7 letters (± 1 regel) in de onbehandelde groep.
    • het gezichtsvermogen neemt matig toe (met ≥ 1 regels op de letterkaart) bij ± 85% van de behandelde patiënten en bij 60% van de onbehandelde patiënten.
    • het gezichtsvermogen neemt duidelijk toe (met ≥ 3 regels op de letterkaart) bij ± 60% van de behandelde patiënten en bij 30% van de onbehandelde patiënten.
    • het gezichtsvermogen wordt uiteindelijk ≥ 0.5 bij 65% van de behandelde ogen en 42% van de onbehandelde ogen (Bravo/Horizon studie 2010-2012).
  2. CRVO: De eerste studies (met een onderzoeksperiode van 6-24 maanden) tonen het volgende aan:
    • gemiddeld neemt het gezichtsvermogen ongeveer 10-15 letters (2-3 regels) op de letterkaart toe in de behandelde-injectie groep en 0-1 letters (0 regels) in de onbehandelde groep.
    • het gezichtsvermogen neemt matig toe (met ≥ 1 regels op de letterkaart) bij ± 80% van de behandelde patiënten en bij 45% van de onbehandelde patiënten.
    • het gezichtsvermogen neemt duidelijk toe (met ≥ 3 regels op de letterkaart) bij ± 40-45% van de behandelde patiënten en bij 15-20% van de onbehandelde patiënten.
    • het gezichtsvermogen wordt uiteindelijk ≥ 0.5 bij 45% van de behandelde ogen en 20% van de onbehandelde ogen (Cruise/Horizon studie 2010-2012).
    • de resultaten met een ander middel (Eylea) zijn vergelijkbaar: een gemiddelde toename van 10-15 letters (=2-3 regels) op de letterkaart en een duidelijke toename van het gezichtsvermogen van ongeveer 50% bij een onderzoeksperiode van 2 jaar [Copernus studie 2014].

links: een patiënt met een CRVO (veneuze stamocclusie) bij aanvang, zonder behandeling
rechts: dezelfde patiënt met een CRVO die diverse keren behandeld is met een VEGF remmer (Lucentis)
 

De prognose van een CRVO is afhankelijk van diverse factoren. De prognose is slechter bij: de ischemische vorm (met een laag gezichtsvermogen bij aanvang van de aandoening, afwijkende pupilreactie), een langer bestaande afsluiting, een hoge leeftijd en een afwijkende OCT-scan (niet-intakte buitenste retinalagen).

3. Laser behandeling van het netvlies
In sommige gevallen ontstaan nieuwe bloedvaten in het netvlies of op de iris die slecht van kwaliteit zijn (neovascularisaties genoemd). Deze kunnen leiden tot bloedingen in het oog of tot een hoge oogdruk (neovasculair glaucoom genoemd). In dat geval is een laserbehandeling van het netvlies noodzakelijk om de nieuwe bloedvaatjes (neovascularisaties), die van slechte kwaliteit zijn, te behandelen of om juist te voorkómen dat deze bloedvaatjes ontstaan. De behandeling dient er dan voor om verslechtering te voorkómen en dus niet om het zien te verbeteren! Dit wordt een 'panretinale laserbehandeling' genoemd. Ondanks een laserbehandeling kunnen zich toch nog kleine bloedvaatjes op de iris vormen (bij 20% van de CRVO-patiënten). Controle is dan ook nodig bij risicopatiënten.
Bij vocht in de gele vlek (het gebied waarmee we scherp zien) kan laserbehandeling soms zinvol zijn. Hierbij wordt na de laser het vocht beter afgevoerd door het netvlies waardoor het gezichtsvermogen  soms kan verbeteren. Dit wordt een 'plaatselijke of focale / grid laser' genoemd. Deze laserbehandeling van macula-oedeem (vocht in gele vlek) kan zinvol zijn bij het type "BRVO", maar niet zozeer bij een "CRVO". Voor informatie over laser, zie folder "laserbehandelingen van het netvlies".

4. Medicamenten
Vaak werden bloedverdunners (ascal, acetylsalicylzuur, anticoagulantie) voorgeschreven om de kans op een 2e bloedvat afsluiting te verminderen. Echter wetenschappelijk onderzoek heeft dit niet aangetoond en wellicht kan het zelfs averechts werken (obv literatuurgegevens blijkt het zelfs mogelijk een risicofactor te zijn voor CRVO). Het gebruik van bloedverdunners wordt derhalve niet aangeraden. Indien de oogdruk van het aangedane oog of  van het goede andere oog verhoogd is, worden oogdruk-verlagende druppels gegeven om de kans op herhaling (ook in het goede andere oog) te verminderen.

ad.  CRVO (veneuze stamafsluiting) of hemi-CRVO (halfzijdige afsluiting):
Uit onderzoek blijkt dat bij mensen die reeds bloedverdunners gebruikten voor andere lichamelijke aandoeningen vóórdat de CRVO ontstond, de oogheelkundige afwijkingen ernstiger waren dan bij mensen die geen bloedverdunners vooraf gebruikten. Er waren meer en grotere bloedingen in het oog aanwezig, de gezichtsscherpte en het gezichtveld waren slechter ten tijde van het eerste oogonderzoek en de uiteindelijke prognose voor de gezichtsscherpte was ook ongunstiger (tov mensen die geen bloedverdunners gebruikten). Mensen gebruikten deze bloedverdunners voor andere lichamelijke aandoeningen, zoals een doorgemaakt hartinfarct, een herseninfarct, een vernauwde halsslagader of andere ziekten. Bij deze groep patiënten wordt dan ook geadviseerd de bloedverdunners niet te staken vanwege de oogziekte.

Aspirine gebruik leidt niet tot een verhoogd risico op een bloedvatafsluiting. Bij patiënten met een ontdekte CRVO, die geen bloedverdunners hebben, wordt bloedverdunners voor de oogziekte niet aangeraden. Patiënten die in het verleden bloedverdunners hebben gekregen, uitsluitend vanwege de CRVO, zouden dan ook kunnen stoppen met de bloedverdunners [ref Ophthalmology 2011; 1603].
Het gebruik van aspirine of andere bloedverdunners verbeteren niet de uiteindelijke prognose en verminderen ook niet het risico op het opnieuw optreden (recidief) van een bloedvatafsluiting.

5. Chirurgisch
Deze behandelingen (bijv. het doorklieven van de oogzenuw-rand of inspuiten van medicijnen in het bloedvat zelf) zijn wel uitgeprobeerd maar de resultaten zijn teleurstellend. Bij de aanwezigheid van een eventuele glasvochtbloeding kan een glasvochtoperatie plaatsvinden (zie folder vitrectomie). Bij vocht in de macula kan in sommige gevallen een vitrectomie tot de mogelijkheden behoren.

6. Overige
Er wordt nog geexperimenteerd bij een CRVO om een verbinding te maken tussen de bloedvaten (venen) van het netvlies en die van het vaatvlies (een omleiding waardoor het afgesloten deel wordt omzeild, een veneuze bypass of 'chorioretinale veneuze anastomose' genoemd). Hierdoor kan het bloed via een andere weg het netvlies verlaten (laser-geinduceerde chorioretinale veneuze anastomose).

Arteriële afsluiting (slagader) in het netvlies

Inleiding/klachten
Een bloedvat dat bloed aanvoert, wordt een arterie of een slagader genoemd. Deze hoofdslagader komt, via de oogzenuw, het oog binnen en verdeelt zich vervolgens in 4 takken. Elke tak voorziet een deel (kwadrant) van het netvlies van bloed.

Bij een arteriële afsluiting van het netvlies krijgt een deel of het gehele netvlies geen zuurstof meer. Het netvlies houdt dan direct op met functioneren en sterft na 6-24 uur af. De patiënt merkt dat het zien plotseling minder is geworden in een deel of in het gehele gezichtsveld. Net als bij een veneuze afsluiting in het netvlies kunnen bij een arteriële afsluiting van het netvlies door het zuurstoftekort nieuwe bloedvaatjes (neovascularisaties) gevormd worden die snel kunnen bloeden (hoewel dit zelden voorkomt). In het netvlies worden, i.t.t. bij de veneuze afsluiting, geen bloedingen waargenomen.

Indeling arteriele bloedvatafsluitingen (BRAO, CRAO)
Er zijn meerdere vormen van arteriële afsluitingen:

a)  Arterietak occlusie (BRAO):
Bij een afsluiting (occlusie) van één tak van de slagader (arterie) wordt een klein deel van het netvlies beschadigd. Dit wordt ook wel een "Branch Retinal Arterial Occlusion (afgekort met BRAO)" genoemd. Indien dit bloedvat het centrum van het netvlies van bloed voorziet, zal de patiënt minder of een vlek zien.

Hier ziet u een voorbeeld van een BRAO:
linker foto: het onderste deel van het netvlies is wit geworden door een tekort aan bloed en door ophoping van vocht. De patiënt zal minder zien en een vlek waarnemen aan de bovenzijde van het gezichtsveld omdat de onderste helft van het netvlies correspondeert met de bovenste helft van het gezichtsveld.
rechter foto: een voorbeeld van een contrastfoto (fluorescentie angiogram) van hetzelfde oog waarbij de onderste tak van de slagader zich niet vult met contrastvloeistof waardoor dit donkerder blijft.

afsluiting bloedvat

De takafsluiting (BRAO) kan feitelijk nog verder onderverdeeld worden in:  

b)  Arteriestam occlusie (CRAO):
Vanuit de papil komen de bloedvaten het oog binnen. Deze bloedvaten voorzien het netvlies van bloed/zuurstof, zie foto:

links: overzichtsfoto (doorsnede van het oog) met een detail van het omkaderd gebied
rechts: detailopname van de papil (kop van de oogzenuw)
 
CRA= centrale retinale arterie (aanvoerend bloedvat); CRV = centrale retinale vene (het afvoerend bloedvat)

Wanneer de grote hoofdslagader (in de oogzenuw) van het netvlies afgesloten is, treedt de vochtlekkage in het gehele netvlies op. Dit wordt ook wel een "Central Retinal  Arterial Occlusion (afgekort met CRAO)" genoemd.Het aantal nieuwe gevallen per jaar (incidentie) bedraagt ongeveer 8.5 per 100.000 mensen.

  
Een voorbeeld van een volledige arteriële takafsluiting (CRAO):
Bij een volledige afsluiting wordt het gehele netvlies bleker. Het centrum (gele vlek, macula) heeft geen bloedvaten en blijft daardoor de rode kleur behouden (de natuurlijke kleur van de macula).
Dit wordt een cherry-red spot genoemd.

De CRAO kan verder onderverdeeld worden in:

Oorzaken en beloop
Er zijn vele oorzaken bekend van een arteriele afsluiting, zoals

Onderzoek naar de oorzaak van de afsluiting is nodig om de kans op herhaling te verminderen. Onderzoek zal geschieden door de huisarts, cardioloog en/of neuroloog. Een normale scan van de halsslagaders (Doppler onderzoek), waarbij geen vernauwing wordt waargenomen, wil niet per definitie zeggen dat de embolus niet afkomstig kan zijn van de halsslagader (immers een kleine plaque kan al een micro-embolus veroorzaken). Ook een normaal hartonderzoek sluit een oorzaak in het hart niet per definitie uit (dit heeft te maken met gevoeligheid van de apparatuur of de embolie kan op een andere plek, net buiten het hart, zijn ontstaan).
Vaak wordt géén oorzaak gevonden. In tegenstelling tot een afsluiting van een vene (zie ad 1) is bij de arteriële afsluiting geen verbetering op termijn te verwachten.
Hoewel het netvlies en de bloedvaten er in de loop van de tijd beter gaan uitzien, wordt de functie (het gezichtsvermogen) vaak niet beter. De schade herstelt zich niet.

linker foto's: een afsluiting van een slagader in de oogzenuw (CRAO) in de acute fase
rechter foto's: het netvlies na 1 maand: de doorstroming is grotendeels hersteld, maar de functie blijft achter
  
  

De arteriele bloedvatafsluitingen kunnen vaker voorkomen bij bepaalde aandoeningen.
De volgende associaties zijn bekend: hoge bloeddruk (hypertensie), suikerziekte (diabetes mellitus), carotis aandoening (halsslagader), hartziekten (hartinfarct), herseninfacten (TIA, CVA), roken en mogelijk hyperlipedemie (te hoog vetgehalte of cholesterol).

Behandelingen
De behandeling van een bloedvatafsluiting van een slagader bestaat uit:

  1. Het verbeteren van de bloedvoorziening (bijv. door het verlagen van de oogdruk, oogmassage ed). Dit heeft alléén zin als de patiënt kort na het begin van de klachten (binnen enkele uren) bij de oogarts komt, echter deze behandeling heeft meestal géén of weinig succes.
  2. Screening op risicofactoren/oorzaken: door de huisarts/internist om herhaling te voorkómen.
  3. Medicamenten: bloedverdunners (Ascal 38/80) om de herhalingskans te verminderen; prednison wordt alléén gegeven als de oorzaak van de afsluiting een 'arteritis temporalis' is geweest.
  4. Laserbehandeling: dit is alléén nodig als er nieuwe, slechte bloedvaatjes in het netvlies ontstaan (dit is echter zelden het geval). Deze nieuwe bloedvaatjes worden neovascularisaties genoemd. Deze neovascularisaties kunnen groeien in het afvoersysteem van de kamerhoek (het afvoersysteem van het inwendige oogvocht) en daardoor het afvoersysteem afsluiten. Dit kan aanleiding geven tot een hoge oogdruk (neovasculair glaucoom genoemd). Bij een CRVO (bloedvatafsluiting van een ader) komt dit vaker voor (45%) dan bij een CRAO (bloedvatafsluiting van een slagader) (2.5% in een grote studie). Bij CRVO is er sprake van een langdurig, chronisch zuurstoftekort (ischemie) terwijl bij een CRAO sprake is van een acute, ernstige ischemie of infarct. Dit verklaart het verschil in het ontstaan van de neovascularisaties. Juist het chronisch zuurstoftekort leidt tot vrijkomen van bloedvatstimulerende stofjes die aanleiding kunnen geven tot neovascularisaties. Kortom, bij een CRAO is het risico minimaal (of niet goed bewezen).

Prognose
In het algemeen neemt het gezichtsvermogen (visus) niet veel toe na een afsluiting. De prognose is afhankelijk van het soort afsluiting (BRAO of CRAO). De CRAO heeft een slechte prognose.
Voor de BRAO geldt het volgende:

De prognose van een CRAO is i.h.a. slecht. Voor de CRAO geldt dat de gezichtsvermogen bij het stellen van de diagnose slecht is (vaak < 0.05 of het alleen kunnen zien van handbewegingen). Bij een deel van de patienten kan het gezichtsvermogen toenemen (16-100% met een gemiddelde van 35%) maar dit is slechts een beperkte toename. Bij een groot deel van de patienten blijft het gezichtsvermogen slecht (< 10%). Een klein deel van de patienten (10-15%) bereikt een gezichtsvermogen van  ≥ 0.10 [ref Ophth 2010;1367).

Afsluiting van bloedvaten van de oogzenuw: AION
Deze aandoening wordt uitvoerig besproken op de website bij "Zenuw en Oogkas", zie folder AION



Deze folder is eigendom van www.oogartsen.nl, afkomstig van het Deventer ziekenhuis (Deventer), CWZ (Nijmegen), Catharina ziekenhuis (Eindhoven), Elisabeth ziekenhuis (Tilburg), HAGA ziekenhuis (Den Haag), Albert Schweitzer (Dordrecht) en Rijnstate (Arnhem) Rijnland ziekenhuis (Leiderdorp), copyright. Voor de aandachtsgebieden van oogartsen, zie aandachtsgebieden (subspecialisaties).

print deze pagina
 
ga naar boven