Bouw en functie: netvlies, vaatvlies, harde oogrok
Inhoudsopgave:Het glasvocht
Achter de lens bevindt zich een ruimte die geheel gevuld is met glasvocht (corpus vitreum). Dit is een gelei-achtige substantie omgeven door een dun vlies (achterste glasvochtmembraan).

Het glasvocht neemt ongeveer 80% van het volume van het oog in.
Opbouw
Het glasvocht is globaal opgebouwd uit 3 delen:
- het centrale deel (core vitreous, vitreous body genoemd)
- het perifere deel: dit is het glasvocht aan de randen ofwel de buitenste laag van het glasvocht (het perifere corticale glasvocht genoemd). Het perifere corticale glasvocht heeft een stevigere samenstelling dan het core-glasvocht. De collageenvezels zitten dichter op elkaar gepakt. Het is een dunne laag van glasvocht rondom het centrale of middelste deel en is ongeveer 100-300 um. Aan de vóórzijde loopt het achter de ooglens en wordt het voorste glasvochtmembraan genoemd. Aan de achterzijde loopt het tot de oogzenuw (de laag is niet aanwezig op de oogzenuw zelf).
- de glasvochtbasis: dit is het gebied waar het glasvocht stevig verankerd is aan de oogbol (zie tekening, ter hoogte van de equator of bolling van het oog).
Animatiefilm (alleen op website, met geluid)
- retina = netvlies (hierin lopen de bloedvaten die hieronder besproken worden)
- macula = gele vlek, het centrale deel van het netvlies
- vitreous body = glasvocht of ooggelei
De dunne collageenvezels in het glasvocht zorgen voor de elasticiteit en de stevigheid van de gelei. Het glasvocht bevat geen bloedvaten. Aan de voorzijde, achter de lens, bevindt zich de voorste begrenzing van het glasvocht. Dit wordt de voorste glasvochtmembraan genoemd. Aan de achterzijde, bij de overgang van het glasvocht naar het netvlies, bevindt zich de achterste glasvochtmembraan.
De vezels (collageenfibrillen) in het achterste deel van het glasvocht (posterior vitreous cortex) zijn gehecht aan de binnenste laag van het netvlies (de ILM genoemd) d.m.v. laminine en fibronectine. Klinisch wordt dit complex de vitreoretinale interface genoemd, ofwel het overgangsgebied van het glasvocht ('vitreo') en het netvlies ('retinale').
Afwijkingen in deze vitreoretinale interface kunnen een rol spelen bij verschillende netvliesziekten:
- een vitreomaculair tractiesyndroom, een maculagat en sommige vormen van macula-oedeem
- bepaalde bloedvatziekten in het netvlies. Een vastzittend glasvocht kan een rol spelen bij verergering van bepaalde vasculaire retinopathieën, zoals bij suikerziekte (diabetische retinopathie, DRP) en bij afsluitingen van bloedvaatjes in het oog (folder bloedvatafsluitingen-occlusies).
Samenstelling
Het glasvocht bestaat uit een extracellulaire matrix en uit de volgende structuren:
- water: ongeveer 98% van het glasvocht bestaat uit water.
- macromoleculen
- structuur-proteine: deze eiwitten bestaan uit collageenvezels en niet-collageen proteinen
- collageenfibrillen/vezels: deze vezels kan men vergelijken met 'doorzichtige spaghetti-slierten'. Ze zorgen voor de structuur, stevigheid, vorm en flexibiliteit. De vezels lopen parallel aan elkaar en zijn onderling met elkaar verbonden (een soort vertakkend netwerk van draden) door chodroitinesulfaat-bruggetjes. Er zijn verschillende typen collageenvezels. In het glasvocht komen met name type II vezels en in minder mate type V/XI (hybride type) en type IX voor.
- niet-collageen structuur-proteine: bijv. fibrilline (een glycoproteine) en opticine
- glycosaminoglycanen (GAG's, soort suikermoleculen of carbohydraten). Deze moleculen werken als een soort spons. Ze trekken water aan en dragen bij aan een drukvolume. De belangrijkste GAG is de hyaluronzuur en in minder mate chordroitine sulfaat en heparine sulfaat (de laatste twee zijn proteoglycanen omdat ze zich aan een eiwit binden).
Aanhechtingen
Het perifere corticale glasvocht zit voor het grootste deel niet zo vast aan het binnenste laagje van het netvlies (de ILM) maar op enkele plaatsen zijn sterkere adhesies (verklevingen of verbindingen), namelijk
- rond de papil (de kop van de oogzenuw): deze adhesies zijn redelijk sterk
- rond de gele vlek (de fovea): deze adhesies zijn zwak en komen gemakkelijk los
- langs de grote bloedvaten: deze adhesies zijn zwak
- bij de glasvochtbasis: dit is het gebied waar het netvlies eindigt, ter hoogte van de maximale bolling van het oog (zie tekening: de equator). Hier zijn de adhesies erg sterk. Bij een glasvochtoperatie is het glasvocht grotendeels te verwijderen. Echter bij de glasvochtbasis is het glasvocht niet geheel te verwijderen door de aanwezigheid van deze sterke adhesies. Het gebied waar het netvlies begint, wordt de ora serrata genoemd. De glasvochtbasis is ongeveer 4-6 mm breed en ligt over de ora serrata heen (1-2 mm aan de vóórzijde en 3-4 mm aan de achterzijde van de ora serrata).
- bij afwijkende (pathologische) structuren, zoals gebieden met littekens (chorioretinale littekens), zwakke netvliesgebieden (perifere retinadegeneraties, cystische retinale tufts).
Detail van de aanhechtingsplaats van het glasvocht aan de netvliesranden:
De gedetailleerde bouw van het oog bij het begin van het netvlies (ora serrata) is weergegeven in de volgende tekening.
links: een doorsnede van het oog (een overzicht)
rechts: een detail van het gearceerde gebied in de linker tekening

- netvlies = binnenbekleding van het oog (rood)
- ora serrata = het begin van het netvlies
- glasvochtbasis = blauw (4-6 mm breed waarvan 2 mm vóór de ora serrata en 3-4 mm achter de ora serrata)
- corpus ciliare = pars plicata (groen, 2 mm) + pars plana (geel, 4 mm)
- pars plana = geel (4 mm breed waarvan 2 mm bedekt met de glasvochtbasis)
- pars plicata = groen (2 mm breed)
- afstand tussen limbus (hoornvliesrand, paars) en pars plicata (groen) = wit (1 mm)
De limbus is de overgang van het hoornvlies naar het slijmvlies/harde oogrok (witte deel van het oog). Het corpus ciliare bestaat uit de pars plicata en de pars plana (totaal 6 mm). De pars plicata begint 1 mm van de limbus en is 2 mm breed. Hierna komt de pars plana (4 mm breed), gevolgd door het begin van het netvlies (ora serrata). Het netvlies begint dus ongeveer 7 mm van de limbus en dit begin van het netvlies wordt de ora serrata genoemd. De glasvochtbasis is ongeveer 4-5 mm breed en ligt over de laatste 2 mm van de pars plana en de eerste 3 mm van het netvlies.
Bij een glasvochtoperatie worden 3 openingen gemaakt in de pars plana (4 mm van de limbus), vandaar de naamgeving "pars plana vitrectomie, PPV" (zie folder glasvochtoperatie-vitrectomie).
Veroudering van het glasvocht (glasvocht troebelingen, floaters)
Met de loop van de jaren neemt de elasticiteit van de vezels in het glasvocht af. De collageenvezels worden deels afgebroken (fragmentatie), verliezen de regelmatige structuur (de afstand tussen de vezels) en klonteren samen (aggregratie van collageenfibrillen). Er ontstaan diverse pockets met vervloeid waterig glasvocht. Rond het 60ste jaar gaat het glasvocht verdichten en vervloeien. De micromoleculaire structuur van het glasvocht verandert. Het vervloeien van het glasvocht (verwatering) wordt ook wel synchysis genoemd.
Er doen zich globaal 2 veranderingen voor bij het ouder worden:
- synchysis: een progressieve toename van vervloeide ruimten/pockets. Dit wordt veroorzaakt door een onregelmatige verdeling van de collageenvezels (op de ene plaats treedt een verdunning op, op de andere plaats treedt een verdichting van vezels op). Bij jonge mensen (15-20 jr) zou ongeveer 20% van het glasvocht vervloeid zijn, bij oudere mensen (80-90 jr) zou > 50% van het glasvocht vervloeid zijn.

- syneresis: een toename van de optische dense structuren ofwel verdichtingen in de glasvochtmatrix. Men kan dan vlekjes, troebelingen en spinnetjes waarnemen. Het kan leiden tot een achterste glasvochtloslating, hetgeen in de literatuur soms ook wordt aangeduid met de term syneresis (zie later).
Soms wordt het glasvocht wat minder transparant en zijn de vezels in het eigen oog zichtbaar. Deze structuur is dan zichtbaar op een wit vlak of bij het kijken naar de blauwe lucht. Men ervaart dit als troebelingen, spinneweb, vliegjes, puntjes. Dit worden mouches volantes (vliegende muggen) genoemd.

links: veranderingen in de structuur van het glasvocht
rechts: een achterste glasvochtloslating (AGVL)
Achterste glasvochtloslating
In de loop van de tijd wordt de glasvochtruimte groter en er ontstaan meer vervloeide glasvochtruimtes (pockets). Andere veranderingen zijn oa cross-linking tussen de collageenvezels, schade door vrije zuurstofradicalen en vermindering van de dichtheid in het netwerk van collageenvezels. Dit leidt tot een minder stabiel glasvocht. De verbindingen tussen het glasvocht (cortex) en het netvlies (ILM) kunnen minder worden. Na het vervloeien van het glasvocht kan er water door de cortex sijpelen en achter de achterste glasvochtmembraan (AGM) komen. Uiteindelijk kan glasvocht verschrompelen en in elkaar zakken. Het loskomen van het glasvocht wordt een glasvochtcollaps (syneresis) ofwel een achterste glasvochtloslating (AGVL) genoemd. Dit wordt ook wel afgekort met PVD, een 'posterior vitreous detachment'.
Bij veroudering kan een AGVL langzaam progressief gaan. De AGVL begint meestal met een vlakke splitsing tussen de achterste glasvochtmembraan en het netvlies (rondom de gele vlek). Deze vroege fase duurt vaak jaren en geeft vaak geen klachten. Uiteindelijk kan het glasvocht verder loskomen van de oogzenuw (ring van Weiss), gevolgd door een volledige loslating.
Het loslaten van de achterste glasvochtmembraan ontstaat meestal acuut en is vaak korte tijd daarna compleet opgetreden. In dit geval ontstaan er vaker klachten van vlekjes, troebelingen of lichtflitsen.
Het proces van een AGVL is afhankelijk van diverse (risico)factoren:
- Leeftijd: het risico op een AGVL is afhankelijk van de leeftijd. Het komt voor bij ± < 10% van de mensen die jonger dan 50 jaar zijn en bij ± 50-65% van de mensen die meer dan 70 jaar oud zijn. Het andere oog krijgt vervolgens ook vaak een AGVL, meestal binnen de 6 maanden tot 2 jaar.
- Hoge bijziendheid (myopie, min-bril): hierbij is het oog langer dan normaal. De AGVL treedt frequenter en op een jongere leeftijd op.
- Trauma / ongeval (klap tegen het oog): een AGVL hoeft niet direct op te treden na het ongeval. Het glasvocht is immers nog niet vervloeid en een glasvochtcollaps is nog niet opgetreden. Uiteindelijk bestaat er een risico op een netvliesloslating (bij een eventuele netvliesloslating, vond men het volgende: bij 12% was de netvliesloslating direct na het trauma aanwezig, bij 30% was dit < 1 maand aanwezig, bij 50% binnen 8 maanden en bij 80% binnen 2 jaar.
- Na een oogoperatie: bijv. een staaroperatie (± 70-80% van de patiënten krijgt binnen 5 jaar na een staaroperatie een AGVL).
- Overige aandoeningen: bijv. inwendige oogontstekingen, afakie (een oog waarbij de ooglens is verwijderd en er geen kunstlens is teruggeplaatst).
- overige risicofactoren: er zijn aanwijzingen dat een AGVL frequenter en eerder op zou treden bij vrouwen.
Achterste glasvochtmembraan met een netvliesscheur of netvliesloslating
Ten tijde van een AGVL kan een scheurtje in het netvlies ontstaan, met name als er een zwak plekje in het netvlies aanwezig is. Het glasvocht trekt dan plaatselijk aan het netvlies.
Licentie
toestemming
Van de patiënten met een een acute AGVL (met klachten zoals troebelingen of lichtflitsen) heeft ongeveer 15-22% een netvliesscheur.
Bij een AGVL kan ook een bloedvat beschadigd raken. Hierdoor kan een glasvochtbloeding ontstaan. Van de patiënten met een AGVL met glasvochtbloeding heeft ongeveer 50-70% een netvliesdefect; bij een AGVL zonder een glasvochtbloeding is dit ongeveer 10-12%.
Een netvliesdefect kan leiden tot het loslaten van het netvlies. Hierbij gaat water door het netvliesdefect heen en woelt het netvlies los (zie folder netvliesloslating /ablatio retinae). Niet elk netvliesdefect leidt tot een netvliesloslating. Immers netvliesscheurtjes worden vaak waargenomen bij mensen zonder dat ze klachten hebben en worden dan bij toeval ontdekt (in de bevolking heeft ongeveer 6% van alle ogen een netvliesdefect. Slechts een klein deel van deze ogen krijgt een netvliesloslating, geschat 0.02%).
De bekendste klachten of afwijkingen van het glasvocht zijn: mouches volantes, een achterste glasvochtloslating en een glasvochtbloeding (zie elders op website www.oogartsen.nl).
Het netvlies (retina)
Het netvlies of retina vormt de binnenbekleding van het oog.
Het netvlies heeft een roodachtige kleur.
Als de oogarts in het oog kijkt, ziet hij/zij de volgende structuren: de gele vlek (macula, het centrum zonder bloedvaten), het begin van de oogzenuw (papil) en de daaruit komende bloedvaten (4 aanvoerende slagaders en 4 afvoerende aders).
De kop van de oogzenuw (papil) is de bleke ronde schijf in de tekening (diameter 1.5-1.7 mm). In dat gebied zitten geen zintuigcellen waardoor met dit gebied niet waargenomen wordt. Het wordt ook wel de blinde vlek genoemd.
In het centrum van het netvlies bevindt zich de gele vlek (macula lutea, diameter 5.5 mm). Het wordt ook wel de achterpool genoemd en bestrijkt ongeveer het gebied tussen de grote bloedvaten. In dit gebied komen de lichtstralen of beelden terecht waar we naar kijken.
Het centrale deel van de macula vertoont een depressie (afvlakking, soort dal) van het binnenste netvliesoppervlak. Dit wordt de fovea genoemd (fovea centralis, 1.5 mm), het bevat alleen kegels. In dat gebied is het netvlies dunner dan in het overige deel van de macula (het heeft op doorsnede de vorm van een kommetje of een dal). Omdat in de fovea de kegeltjes heel dicht op elkaar zitten, kunnen we hele fijne details zien. De fovea is herkenbaar aan een ovale lichtreflex.
OCT scan: doorsnede centrum van netvlies
- FR: fotoreceptorlaag (kegeltjes): op de scan is de overgang van de binnen- en buitensegmenten zichtbaar
- RPE: retina pigment epitheel: dit is de laag onder de fotoreceptoren
- vaatvlies (choroidea)
De fovea loopt verder langzaam af, waarbij de vorm te vergelijken is met een 'dal of ondiepe sloot' (foveale excavatie genoemd). Het centrale deel van de fovea, de bodem van de fovea, wordt de foveola genoemd (diameter 0.35 mm). Dit is het dunste gebied van het netvlies en bevat alléén nog maar kegeltjes. In dit gebied zijn de kegeltjes slanker en dichter op elkaar gepakt waardoor het zicht optimaal is. In de foveola is geen GCL (ganglioncel laag) aanwezig. Binnen de fovea, maar buiten de foveola, ligt de de foveale avasculaire zone (FAZ). Dit gebied tussen de fovea en foveola bevat géén bloedvaten meer (avasculair = zonder bloedvaten). Dit gebied is goed herkenbaar met contrastonderzoek (FAG). De lichtstralen of beelden worden dan namelijk niet gehinderd door de bloedvaten. In de FAZ bevindt zich het punt van fixatie. De foveola kent ook een miniscuul klein centrum, de umbo genoemd.
Overige parameters:
- de gemiddelde dikte van de retina is ± 250 μm (SD 22)
- de dikte van het netvlies in het gebied van de fovea bedraagt ongeveer 212 μm (de central foveal thickness, 1 mm in diameter); de dikte van de foveale pit (in de foveola) is ± 150 μm, in de foveale rim (op de rand van de fovea) is ± 300 μm
- de gemiddelde dikte van de zenuwvezellaag (NFL) is ± 110 μm
- de dikte van de totale retina en van de zenuwvezellaag (NFL) lijken af te nemen met de leeftijd.
Het netvlies (retina) bestaat uit 10-11 lagen, van binnen (glasvochtzijde) naar buiten (vaatvlieszijde):
- ILM (internal limiting membrane, groene lijn)
- NFL (nerve fiber layer, axonen van GCL)
- GCL (ganglioncell layer met schakelcellen)
- IPL (inner plexiform layer)
- MLM (middle limiting membrane
(zelden benoemd)
- INL (inner nuclear layer)
- OPL (outer plexiform layer)
- ONL (outer nuclear layer)
- ELM (external limiting membrane)
- FR (fotoreceptoren: kegels, staafjes)
- RPE (retina pigmentepitheel)
tekening: een doorsnede van het netvlies.
Het licht valt binnen, via de glasvochtruimte, op het netvlies. Het gaat door de verschillende lagen van het netvlies heen (NFL → GCL → INL → fotoreceptoren) en bereikt uiteindelijk de fotoreceptoren (kegeltjes en staafjes). De laag onder de fotoreceptoren heet de RPE laag (retina-pigment epitheel laag).
Het licht wordt in de fotoreceptoren omgezet in een elektrisch signaal. Dit signaal wordt teruggestuurd van de fotoreceptoren, via de GCL en de NFL, richting de oogzenuw. De oogzenuw bevat vele 'stroomdraadjes' die het signaal verder sturen (ganglioncel axonen genoemd). De oogzenuw zendt het signaal naar de hersenen toe. Hier nemen we de beelden waar.
De lagen op een OCT scan:
De binnenste laag, de ILM, heeft een dikte van 2.5 μm. Deze laag speelt een rol bij bepaalde aandoeningen van de gele vlek en kan operatief verwijderd worden (zie folder maculagat, maculapucker).
De fotoreceptorlaag bestaat uit binnenste (ovale vorm in de tekening) en buitenste (rechthoekige vorm in de tekening) segmenten. Dit wordt de "inner segment (IS)" en "outer segment (OS)" genoemd. Daartussenin zit een versmalling. Deze overgang van de binnen- en buiten-segmenten (IS/OS) is op de OCT zichtbaar als een aparte rode lijn. De fotoreceptoren hebben een rechte verticale richting. In de fovea hebben de lagen daarboven een schuine orientatie. Hierdoor hoeven de lichtstralen niet door een dikke laag heen en is de lichtweg korter. Hierdoor ontstaat een scherper beeld.
De laatste onderste laag van het netvlies is het pigmentblad (RPE= retina pigment epitheel). Het bestaat uit 1 laag cellen. Een RPE cel bevat melanosomen, bestaande uit melanine. Melanine absorbeert het blauwe licht meer dan het rode licht. Het RPE speelt een rol bij oa: a) absorptie van het licht door melanine, b) de turnover van de fotoreceptor-outer segments (opruimen van de buitensegmenten van de kegels en staafjes), c) regeneratie van het visuele pigment (zie later), d) actief transport van zuurstof en nutritienten (voedingsbestanddelen), e) licht-geinduceerde respons, f) ontwikkeling van het oog, g) het in stand houden van de buitenste bloed-retina barrière (deze RPE-barriere voorkomt diffusie van metabolieten tussen de choroidea en de overige netvlieslagen[subretinale ruimte]), en h) genezend effect en vorming van littekens. Onder het RPE, tussen het RPE en het vaatvlies (choroidea), bevindt zich de membraan van Bruch. Deze membraan bestaat uit 5 laagjes. Het speelt een rol bij bepaalde aandoeningen (pseudoxanthoma elasticum).
Onder het netvlies bevindt zich het vaatvlies (choroidea). Het vaatvlies is een netwerk van bloedvaten (choriocapillaris en grotere choroidale vaten). Deze zorgen voor de zuurstofvoorziening van de buitenste lagen van het netvlies.
Onder het vaatvlies zit de harde oogrok (sclera) die de stevigheid aan het oog geeft.
Bij glaucoom (een aandoening met vaak een hoge oogdruk) zijn m.n. de 3 binnenste netvlieslagen aangedaan, te weten de NFL (bevatten de axonen van de ganglioncellen), de GCL (bevatten de cellichamen van de ganglioncellen) en de IPL (bevatten de dendrieten van de ganglioncellen). Soms wordt dit het ganglioncel-complex genoemd.
We hebben twee soorten fotoreceptoren: kegeltjes en staafjes. De kegeltjes bevinden zich in het centrale deel van het netvlies, de staafjes zitten in het buitenste deel van het netvlies.
- Staafjes ("rods")
De staafjes (ongeveer 100-120 miljoen) registreren licht en donker en zijn vooral belangrijk bij het zien in het donker. Ze zijn verdeeld over het netvlies, maar zijn niet aanwezig in het centrale deel van het netvlies (fovea). De grootste dichtheid ligt op 20 graden van de fovea. Met de staafjes kunnen we opzij zien en in het donker zien. We kunnen met de staafjes geen details waarnemen, zoals nodig is bij het lezen of tv-kijken. Ook worden met de staafjes geen kleuren waargenomen.
Hoe goed iemand details kan waarnemen, wordt uitgedrukt in gezichtsscherpte (visus; zie info bij rubriek "Het oog").
Een staafje is gevoelig en kan zelfs 1 photon (lichtimpuls) detecteren. De staafjes-disks leven ongeveer 10 dagen en worden dan opgegeten (fagocytose) door het RPE. De staafjes hebben een 100:1 synaps met de bipolaire cel (dwz de electrische impulsen van 100 staafjes komen bij elkaar en worden via een schakeling [synaps] verder voortgeleid door 1 bipolare cel. Via deze bipolaire cel gaat de electrische impuls ("beeld") naar de oogzenuw en de hersenen toe).
In de staafjes wordt "Retinal +rod-opsin" omgezet in "rhodopsin".
- De kegeltjes ("cones")
Er zijn ongeveer 5-6.5 miljoen kegeltjes per oog. Ze zijn meer geconcentreerd in het centrale deel van het netvlies (macula) ofwel de fovea (mn binnen de 10-15 graden van de fovea). Ongeveer 50% van de kegels bevinden zich het 30 graden gebied. Ze werken alleen bij voldoende licht (daglicht en goed verlichte ruimtes) en zorgen ervoor dat we kleuren kunnen zien. Met de kegeltjes kunnen we recht voor ons uit details onderscheiden (bijv. lezen en tv-kijken).
De lichtgevoeligheid van kegeltjes is 100x lager dan die van de staafjes. De kegeltjes-disks leven veel langer dan die van de staafjes en worden geleidelijk vervangen. Een kegel heeft een 1:1 synaps met de bipolaire cel. In het kegeltje wordt "Retinal + cone-opsin" omgezet in "photopsin".
Er zijn drie soorten kegeltjes, die elk gevoelig zijn voor een andere golflengte van het licht. De 3 kegeltjes hebben ieder een eigen spectrale gevoeligheid, te weten blauw, groen en rood. Een bepaalde kleur, die het oog "ziet", wordt ontleed in componenten die ieder van deze 3 kegeltjes kan verwerken. In de hersenen wordt deze informatie weer samengesteld tot een gewaarwording van de gegeven kleur. Gelijktijdige stimulatie van alle 3 soorten kegeltjes leidt tot de waarneming van "wit". Door verwerking van informatie van de verschillende soorten kegeltjes kunnen we alle kleuren tussen violet en rood zien. Voor afwijkende waarneming van kleuren → zie folder kleurenblindheid.


Samengevat: voor het scherpe zien en het waarnemen van kleuren dient vooral het centrale deel van de retina (de macula) met alleen kegeltjes; voor het waarnemen onder slechte lichtomstandigheden wordt meer gebruik gemaakt van de periferie van het netvlies (vooral staafjes).
Vele netvliesafwijkingen worden beschreven op deze website www.oogartsen.nl bij rubriek "Glasvocht / Netvlies".
Het netvlies is gepigmenteerd en krijgt zijn kleur door:
- de retinapigment epitheel (RPE) laag: dit bruine pigment bevindt zich onder het gehele netvlies (feitelijk is het een onderdeel van het netvlies). De mate van pigmentatie is per persoon wisselend (albino's hebben heel weinig pigment). Melanine in het RPE absorbeert het blauwe licht meer dan het rode licht (waardoor het netvlies een rode gloed krijgt).
- macula pigmenten (carotenoïden): deze pigmenten bevinden zich alleen in het macula-gebied.
In de macula bevinden zich maculapigmenten (xanthofielen, macula lutea of macula-geel genoemd). Het geeft de macula een donker-gele kleur. Maculapigmenten, die bestaan uit de carotenoiden luteïne en zeaxanthine, hebben globaal 2 functies:
- Het pigment werkt als een blauw filter waardoor voorkómen wordt dat teveel schadelijk blauw en ultraviolet licht het gevoelige weefsel (fotoreceptoren) aan de achterzijde van het netvlies bereikt (het absorbeert het fototoxische, hoog-energetische blauwe licht met de korte golflengte van 400-530 nm). Dit voorkomt beschadiging van de lichtgevoelige fotoreceptorcellen. Kortgolvig licht geeft meer lichtverstrooiing dan langgolvig licht. Mensen met weinig maculapigment hebben meer last van strooilicht (fotofobie).
- Het pigment kan schadelijke stoffen (vrije reactieve zuurstofradicalen) wegvangen en onschadelijk maken (anti-oxidatieve werking genoemd). De anti-oxidanten zorgen ervoor dat de activiteiten van vrije radicalen in ons lichaam onder controle worden gehouden, zodat de schadelijke effecten van deze vrije radicalen beperkt of misschien zelfs tegen gegaan kunnen worden. Hierdoor worden het buitenste deel van het netvlies (photoreceptoren en retinapigmentblad) en het vaatvlies (choriocapillaris) beter beschermd tegen oxidatieve stress.
Luteïne en zeaxanthine, 2 carotenoiden, zijn anti-oxidanten die ook in de gele vlek (macula) van het netvlies worden aangetroffen. Luteïne en zeaxanthine worden in bijna alle soorten fruit en groenten gevonden. Ze worden niet door het menselijk lichaam geproduceerd en de concentratie ervan in het netvlies is afhankelijk van de voedselopname. Voedingsstoffen met een relatief hoog gehalte aan deze anti-oxidanten zijn goed voor het netvlies. De concentratie en verdeling van maculapigmenten varieren per persoon en zijn oa afhankelijk van geografische locatie en levensstijl (bijv. het voedingspatroon, roken, inname van supplementen). De maculapigmenten bevinden zich met name in de 'fotoreceptor axon laag' en in de 'inner plexiform layer'. Maculapigment kan fors verminderd zijn bij bepaalde aandoeningen (bijv. Sjögren-Larsson syndroom, maculaire teleangiectasieën).
In de buitenste segmenten van de photoreceptoren is een hoge concentratie aan DHA (long chain fatty acid docosahexaenoic acid) aanwezig. Deze DHA wordt continu afgestoten en vervangen tijdens een normale visuele cyclus. Een tekort aan DHA kan wellicht leiden tot een verminderde netvliesfunctie en daardoor netvliesveroudering (maculadegeneratie) bevorderen. Omega-3 vetzuren zitten in visproducten en behoren tot de DHA vetzuren.
Bloedvoorziening
Een arterie is een slagader die het bloed aanvoert, een vene is een ader die het bloed afvoert. Het oog krijgt het bloed van de arteria ophthalmica. Een tak hiervan is de arteria centralis retinae die in de oogzenuw terecht komt. Deze toevoerende slagader loopt in de oogzenuw en splitst zich vervolgens in 4 subtakken. Deze takken ontspringen uit de oogzenuw en zijn zichtbaar binnenin het oog (zie tekening).
De centrale retinale arterie en zijn 4 takken zorgen voor de bloedvoorziening van het binnenste deel van het netvlies (aan de glasvochtzijde). Deze binnenste netvlieslagen, de zogenaamde "inner retina" zijn de ILM t/m de INL (inner portion of binnenste deel ervan).
De bloedvoorziening van het buitenste deel van het netvlies, de "outer retina", wordt verzorgd door de bloedvaten van het vaatvlies (choriocapillaris). Dit zijn de lagen van de INL (outer portion) t/m de RPE-laag. Het vaatvlies bevindt zich onder het netvlies.
Het bloed komt terecht in de haarvaten (capillairen) en wordt weer afgevoerd door de aderen. Dit zijn uiteindelijk ook 4 takken die samenkomen in een hoofdader (de vena centralis retinae). Deze ader loopt parallel aan de slagader.
Bij ongeveer 20-30% van de mensen ontspringt uit de oogzenuw een kleine slagader (cilioretinaal vat). Dit cilioretinaal vat krijgt het bloed via een andere weg. Het ontspringt niet uit de arteria centalis retinae maar uit de arteria ciliaris posterior (a.ciliaris post brevis). De arteria ciliaris posterior zorgt voor de bloedvoorziening van o.a. het vaatvlies (choroidea) en het buitenste deel van het netvlies (outer retina). Het cilioretinaal vat ontspringt uit deze arteria ciliaris posterior en levert het bloed voor de gele vlek (macula) en het gebied tussen de oogzenuw en de macula.
Eén van de netvliesafwijkingen is een bloedvatafsluiting (zie folder bloedvatafsluiting). Bij een afsluiting van een arterieel bloedvat (slagader) kan soms de gele vlek gespaard blijven als een cilioretinaal vat aanwezig is. Dit cilioretinaal vat krijgt immers zijn bloed via een ander bloedvat en in dit geval dus niet van het verstopte bloedvat.
Lichtschade
Licht met een korte golflengte is schadelijk voor het netvlies. Het netvlies wordt beschermd tegen deze korte golflengten door het hoornvlies (cornea) en de lens:
- het hoornvlies absorbeert licht met een golflengte van <295 nm.
- de lens absorbeert het schadelijke deel van het licht < 400 nm.
Bij extreme belichting ontstaat lichtschade in het netvlies (folder lichtschade).
Het vaatvlies
Aan de achterzijde ligt tussen het netvlies en de harde oogrok het vaatvlies (choroidea).

Het vaatvlies is onderdeel van de "uvea". De uvea zorgt voor een intensieve bloedvoorziening van het oog en bestaat uit:
- het regenboogvlies (de iris)
- het corpus ciliare (het straallichaam)
- het vaatvlies (de choroidea):
→ 
Bloedvoorziening
Bloed wordt aangevoerd via de arteria ophthalmica, die zich o.a. vertakt in bloedvaten voor het netvlies (de arteria centralis retina) én het vaatvlies. De eindtakken van deze arteria ophthalmica zijn de toevoerende slagaders van het vaatvlies (choroidea), de arteriae ciliaris posterior genoemd.
Deze arteria ciliaris posterior vertakt zich in een korte tak (a. ciliaris posterior brevis), die het achterste deel van het vaatvlies verzorgt en in een lange tak (a. ciliaris posterior longus), die het voorste deel van het vaatvlies en het voorsegment verzorgt .
De slagaders treden aan de achterzijde het oog binnen. De choroidea bestaat globaal uit 2 lagen, te weten een dikkere buitenste laag (aan de zijde van de harde oogrok) en een dunnere binnenste laag (de choriocapillaris).
De choroidea is een dicht netwerk van bloedvaten, dat voor de voeding van het buitenste deel van het netvlies zorgt. Het verzorgt de buitenste retinalagen ("outer retina''), bestaande uit de inner nuclear layer (INL, de inner portion) t/m de fotoreceptoren (staafjes en kegeltjes) en RPE laag (zie doorsnede bij het netvlies). De binnenste laag van het netvlies ('inner retina') wordt gevoed vanuit de netvliesvaten. Deze "inner retina" bestaat uit de lagen van de nerve fiber layer (NFL) t/m de inner nuclear layer (INL).

Afkortingen in de tekening:
H=hoornvlies (cornea)
R=regenboogvlies (iris)
G=glasvocht (corpus vitreum)
N=netvlies (retina)
V=vaatvlies (choroidea)
O=harde oogrok (sclera)
Z=oogzenuw (nervus opticus)
S= spier
Afvoer van bloed vindt plaats via 4 -5 afvoerende hoofdaderen, de vena vorticosa (vortex venen) genoemd (zie tekening: de 2 blauwe vaten). Deze aderen komen tezamen in 1 hoofdader, de vena ophthalmica superior.
Het verwerken van het beeld in het netvlies is een proces dat veel energie kost. Deze energie wordt grotendeels geleverd door het vaatvlies. Het netvlies is één van de meest metabool actieve weefsels van het lichaam (per gram weefsel). Dit is te danken aan de bloedvatvoorziening van de choroidea.
Dikte van het vaatvlies
Met behulp van OCT scans is de dikte van het normale vaatvlies (de choroidea) bepaald. In het centrale deel (onder de macula of de fovea) is de dikte van het vaatvlies ± 280-345 μm. Er bestaat een hoge mate van variatie in deze "maculaire choroidale dikte" met een standaard deviatie van 80-100 μm. Ook lijkt de dikte van het vaatvlies af te nemen met toenemende leeftijd (in een studie bleek bijv. dat de dikte 347 μm was bij mensen met een gemiddelde leeftijd van 35 jaar en een dikte van 280 μm bij mensen rond de 50 jaar) [ref. Ophthalmology 2012;119].
De gemiddelde dikte van het vaatvlies rondom de oogzenuw (papil) is ± 200 - 210 μm (superior 229, nasaal 227, temporaal 209, inferior 150) met een standaard deviatie van 50-80 μm [ref Ophthalmology 2011;2001].
De choroidea is het dikst aan de achterzijde van het oog en het dunst aan de voorzijde (de ora serrata, ongeveer t.h.v. de equator). Het vaatvlies gaat aan de voorkant van het oog over in de iris (regenboogvlies).
De bloedvaten liggen in een losmazig netwerk van bindweefselcellen en pigmentcellen (melanocyten). Deze melanocyten absorberen het overmatig licht dat het netvlies heeft gepasseerd. Het pigment in deze melanocyten en in de RPE-laag geeft het achterste deel van het inwendige oog de oranje-roodachtige kleur.
De bekendste afwijkingen van het vaatvlies zijn:
- een inwendige oogontsteking (zie folder uveitïs).
- een gezwel vanuit het vaatvlies, een chorioidea melanoom. In dit geval veranderen de melanocyten zich in tumorcellen.
Zonula en corpus ciliare
De lens zit in een lenszakje. Het lenszakje zit d.m.v. hele dunne draadjes (ophangbandjes) aan het corpus ciliare (straalvormig lichaam) vast. Deze ophangbandjes worden zonulavezels genoemd. Het kan voorkomen dat deze zonulavezels zwakker zijn of worden na een staaroperatie (zie folder gecompliceerde staaroperatie). De zonula-vezels kunnen ook scheuren na een trauma (zonula ruptuur) of zwak zijn bij bepaalde syndromen.
→ 
links: overzicht oog
rechts: detail van het groene kader: zonula vezels
Het corpus ciliare begint 1 mm van de limbus (de overgang van het hoornvlies naar het slijmvlies/harde oogrok). Het corpus ciliare is 6 mm en bestaat uit 2 delen: de pars plicata (2 mm) en de pars plana (4 mm). De pars plicata speelt een rol bij de productie van kamerwater. Bij een disbalans tussen aanmaak en afvoer van kamerwater wordt er gesproken over glaucoom.
Na het corpus ciliare begint het netvlies. De overgang tussen het corpus ciliare en het netvlies wordt de ora serrata genoemd. Bij oogoperaties of ooginjecties wordt de binnenkant van het oog bereikt via de pars plana (hierdoor vindt er geen netvliesschade plaats).
Voor meer details over de afmetingen van het corpus ciliare → zie bouw en functie netvlies-glasvocht.
In het corpus ciliare kan een gezwel ontstaan, een "corpus ciliare melanoom" genoemd. Dit komt zelden voor en omvat ongeveer 5% van alle uvea-melanomen.
De harde oogrok (sclera)
De harde oogrok (sclera) geeft het oog zijn stevigheid. De harde oogrok is wit en gaat aan de voorkant over in een doorzichtig deel, het hoornvlies (cornea). De sclera is het buitenste deel van het oog (de beschermlaag). De sclera bestaat uit collageen en elastische vezels die omgeven zijn door proteoglycanen. De sclera is het dikst aan de achterzijde en het dunst aan de voorzijde ter hoogte van de equator.

De sclera is doorgankelijk voor moleculen. Vandaar dat de oogarts in bepaalde situaties medicijnen naast het oog kan spuiten om het achterste deel van het oog te bereiken (het medicijn komt dan via de sclera het oog binnen).
De belangrijkste oogziekten waarbij de sclera een rol speelt, zijn:
- een ontsteking → zie folder scleritis
- een pathologische myopie → zie folder bijziendheid (myopie)
- een nanophthalmos: dit is een klein oog waarbij de sclera vaak verdikt is. Hierdoor is het transport van vloeistof beperkt, hetgeen kan leiden tot een ophoping van vocht in het vaatvlies (uveal effusie syndroom).
Bij hoge bijziendheid kan de sclera verdund zijn, met name ter hoogte van de bolling van het oog (regio van de equator). De dikte van de choroidea (vaatvlies) en de sclera (harde oogrok) nemen af bij toenemende bijziendheid (myopie).
Deze folder is afkomstig van www.oogartsen.nl (Deventer ziekenhuis); een samenwerkingsverband tussen het Deventer ziekenhuis (Deventer), CWZ (Nijmegen), Catharina ziekenhuis (Eindhoven), Elisabeth ziekenhuis (Tilburg), Maxima Med. Centrum (Veldhoven) en HAGA ziekenhuis (Den Haag), copyright.
Voor de aandachtsgebieden van oogartsen, zie aandachtsgebieden (subspecialisaties).





