DZ/CWZ/CZE/EZ/MMC

Bouw en functie van het oog

Inhoudsopgave:


Het Oog

Algemeen: brekend vermogen, brilsterkte en afmetingen
In dit deel van de website worden de volgende onderdelen van het oog besproken. De namen tussen haakjes zijn de latijnse termen die de oogartsen gebruiken. We lopen door het oog heen van de voorkant naar de achterkant.
 doorsnede van het oog     vooraanzicht oog
 

Het oog is een zintuig dat werkt als een ontvanger die de signalen uit de omgeving opvangt en doorgeeft aan de hersenen. In de hersenen worden de signalen omgezet in waarnemingen en in het geheugen opgeslagen. Pas in de hersenen worden we ons bewust van de voorwerpen die we zien. Het centrum voor het zien ligt achterin de hersenen (ter hoogte van het achterhoofd). Het waarnemen van de dingen om ons heen wordt dus niet bepaald door de ogen, maar door het centrum in de hersenen waar de elektrische signalen terechtkomen.

Van de buitenzijde zijn vooral de oogleden, het hoornvlies, het regenboogvlies (iris, gekleurd), de pupilopening (zwart) en de harde oogrok (sclera, wit) zichtbaar.

Het oog bevindt zich in de oogkasholte (orbita). Het oog is omgeven door vetweefsel, oogspieren, ooglidspieren en botweefsel (oogkas). 
De beelden worden geregistreerd door het netvlies en via de oogzenuw doorgezonden naar de hersenen. De oogzenuw loopt vanuit de achterzijde van het oog naar de hersenen.

Het oog werkt als een soort fototoestel. In het oog zit, net als in een fototoestel, een compleet lenzenstel, een diafragma en een lichtgevoelige filmplaat. Het oog heeft twee lenzen of brekende systemen: het hoornvlies (cornea) en de eigenlijke lens (ooglens). De ooglens van jonge mensen is in staat om te accommoderen (in- en uitzoomen) waardoor men beelden op elke afstand (veraf en dichtbij) scherp waarneemt. Het brekend systeem van het oog zorgt ervoor dat de beelden scherp op het netvlies terecht komen. De beelden worden in het oog omgekeerd geprojecteerd, in de hersenen wordt het beeld weer rechtop waargenomen.

 

Afwijkingen in het brekend systeem, die gecorrigeerd kunnen worden met een bril, zijn oa: bijziendheid (myopie), verziendheid (hypermetropie) en een cylindrische afwijking (zie folders elders op de site www.oogartsen.nl).
Tussen de twee lenzen bevindt zich het diafragma, de pupil (de zwarte opening). Aan de binnenkant van de oogbol ligt de gevoelige filmplaat, het netvlies (retina). Het lenzenstelsel zorgt ervoor dat op het netvlies een scherpe afbeelding komt. In de tekeningen hieronder wordt het glasvocht en het netvlies getoond:

doorsnede van het oog    binnenzijde van het oog 
Afkortingen:

H= hoornvlies (cornea)G= glasvocht (corpus vitreum)  m= macula (de gele vlek, letter E)
C= slijmvlies (conjunctiva)  N= netvlies (retina) S= oogspier
R= regenboogvlies (iris)  V= vaatvlies (choroidea) B= bloedvat (vena vorticosa)
L= lens O= harde oogrok (sclera) Z= oogzenuw (nervus opticus)

Afmetingen van het oog
In  een ongeaccommodeerd oog zijn de afmetingen ongeveer als volgt:
- het voorvlak van het hoornvlies = 0 (dwz vanaf hier wordt er gemeten)
- het achtervlak van het hoornvlies = 0.5 mm
- het voorvlak van de lens = 3.6 mm
- het achtervlak van de lens = 7.2 mm
- het achtervlak van het oog = 24.4 mm (ongeveer de aslengte van het oog)

Oogleden
De oogleden hebben een beschermende functie tegen:
  - uitdroging van het oog
  - fel licht
  - vreemde voorwerpen die op ons afkomen
We knipperen met de oogleden, waardoor de traanfilm, die op het hoornvlies ligt, steeds ververst wordt en het oog tegen uitdroging beschermd wordt.
De anatomie en functie, met illustraties, staan beschreven in een andere folder → zie folder bouw en functie oogleden.

Hoornvlies (cornea)
Het hoornvlies (cornea) is het voorste doorzichtige deel van het oog. Het is een voortzetting van het witte deel van het oog, de harde oogrok (sclera) genoemd. De sclera omvat de hele oogbol. Achter het hoornvlies is het gekleurde deel van het oog te zien, het regenboogvlies (iris). Het hoornvlies werkt als een lens en zorgt voor de breking van lichtstralen. Het is zelfs sterker dan de eigenlijke ooglens.

 
De brekingssterkte van een lens wordt uitgedrukt in dioptrieën. Hoe groter het aantal dioptrieën, hoe sterker de lens. De brekingssterkte van het hoornvlies ligt tussen de 40 en 45 dioptrieën. 

Uitgebreidere informatie over:
- de bouw en functie van het hoornvlies
- brekend vermogen van het hoornvlies
- de sferische aberraties
vindt u op deze website www.oogartsen.nl  → folder hoornvlies/slijmvlies.


Bindvlies, slijmvlies (conjunctiva)

De conjunctiva, ofwel bindvlies, is de slijmvliesbekleding van

  1. de binnenzijde van de oogleden en
  2. de buitenzijde van de oogbol (bulbus oculi)

  De conjunctiva aan de binnenzijde van de oogleden is rood vanwege de vele bloedvaten en wordt "conjunctiva palpebralis" genoemd. Op de foto is dit aangegeven met een *. De conjunctiva op de oogbol ligt op het witte deel van het oog (de harde oogrok) en wordt "conjunctiva bulbi" genoemd (witte pijl). De conjunctiva loopt tot de rand van het hoornvlies (h). De overgang van het hoornvlies (cornea) en de conjunctiva wordt de limbus genoemd.
Aan de binnenzijde van de oogleden gaat de conjunctiva palpebralis over in de conjunctiva bulbi. Deze overgangsplooi wordt de "conjunctivaalzak of fornix" genoemd (letter f).

In de conjunctiva zitten kleine talgkliertjes, gobletcellen, genoemd. Deze zorgen voor de slijmlaag van de traanfilm (mucine-laag). De conjunctiva heeft, in tegenstelling tot veel andere oogweefsels, een groot vermogen tot genezing. De operatiewonden in de conjunctiva genezen snel en zonder complicaties.

h= hoornvlies (cornea)
i= iris (regenboogvlies)
f= fornix
T= tarsus (de bindweefselplaat van het ooglid)
*= conjunctiva palpebralis
witte pijl= conjunctiva bulbi
 

De meest voorkomende afwijkingen van de conjunctiva is een rood oog of een uitwendige ontsteking (conjunctivitis). Voor meer details over de conjunctiva, zie folder hoornvlies/slijmvlies.

Animatiefilm (alleen op website aanwezig, met geluid)



Traanfilm
De traanfilm is een dun laagje vocht dat over het voorste deel van het oog ligt (hoornvlies en slijmvlies).  Het is nodig om een optimale gezichtsscherpte te krijgen (een glad oppervlak waarin de lichtstralen optimaal worden gebroken). De traanfilm houdt het oog vochtig (smering) en beschermt het oog tegen infecties, buitenlucht, vuil etc. 

Bij elke knipperslag (na 20-30 seconden) wordt de traanfilm in een dun laagje gelijkmatig verdeeld over het oog.

Hiernaast is de opbouw van de traanfilm en een deel van het hoornvlies weergegeven. Het buitenste laagje van het hoornvlies heet het 'epitheel,  het middelste laagje het 'stroma'. De traanfilm is samengesteld uit drie bestanddelen (percentage tussen haakjes): 

  1. een buitenste (lipide/vet) laag (± 1.5%, 0.1 μm): deze olie-achtige laag (lipiden) wordt geproduceerd door kleine kliertjes in de oogleden (de Meibom kliertjes); dit voorkómt een snelle verdamping van het traanvocht. De lidslag tijdens het knipperen is belangrijk bij vrijkomen van de lipiden uit de kliertjes. De dikte van de lipide-laag neemt toe bij krachtig (geforceerd) knipperen en omgekeerd.
  2. een middelste (waterige) laag (95.5%, 7 μm): deze wordt geproduceerd door kleine kliertjes in het slijmvlies en door de traanklier. De traanklier speelt de belangrijkste rol bij de productie van deze waterlaag (95%), het overige deel is afkomstig van de accessoire kliertjes van Krause en Wolfgang. De waterlaag bestaat uit diverse componenten, zoals water, electrolyten, mucines, proteine (eiwit), groeifactoren en ontstekingscomponenten (cytokines). De functies van deze waterlaag zijn:
    • het voorzien van zuurstof voor de buitenste hoornvlieslaag (epitheel) 
    • een antibacteriele functie (bepaalde proteinen)
    • het schoonspoelen van het oog van vuil, stof en bacteriën
    • het glad maken van het oppervlak door het opvullen van onregelmatigheden van het hoornvlies waardoor een glad optisch oppervlak ontstaat (om de lichtstralen optimaal te breken)
  3. een binnenste (mucine) laag (3%, 0.2 μm): deze slijmachtige laag wordt m.n. geproduceerd door kleine kliertjes in het bindvlies (conjunctiva) van het oog (de slijmbekercellen of gobletcellen genoemd). Dit laagje zorgt ervoor dat de waterige laag kan hechten aan het oppervlak van het hoornvlies (epitheel). Tevens dient het als bevochtiging van het oog.

Dit alles zorgt ervoor dat de tranen zich goed aan het hoornvlies hechten en zo weinig mogelijk verdampen. De traanfilm is dan van optimale kwaliteit. De meest voorkomende aandoening van de traanfilm is een droog oog.


Voorste en achterste oogkamer

Het oog heeft 2 oogkamers, de voorste oogkamer en de achterste oogkamer.   De voorste oogkamer ligt tussen het hoornvlies en de iris (regenboogvlies).  

De achterste oogkamer bevindt zich tussen de iris en de ooglens. De oogkamers zijn gevuld met een heldere vloeistof, oogvocht of kamerwater genoemd. De vloeistof wordt continu door het oog aangemaakt en afgevoerd.

Het kamerwater wordt gemaakt door het straallichaam (corpus cilaire c.c., op de tekening aangegeven met 1). In het corpus ciliare, met name in het ciliaire epitheel en de bloedvaten, bevinden zich beta-adrenerge receptoren die een rol spelen bij de productie van kamerwater.

Het kamerwater stroomt vanuit de achterste oogkamer (ruimte tussen de iris en lens) door de pupil heen (2) naar de voorste oogkamer (tussen de iris en het hoornvlies).

  

In de kamerhoek (op de tekening hierboven aangegeven met 3), de hoek tussen het hoornvlies en de iris, bevinden zich een netwerk van vele kleine openingen in de harde oogrok. Dit wordt het trabekelsysteem genoemd. Via dit systeem wordt het kamerwater afgevoerd naar de bloedbaan. Het kamerwater zorgt voor de aanvoer van voedingsstoffen en zuurstof. Ook de oogdruk wordt bepaald door de aanmaak en afvoer van het kamerwater. Een hoge oogdruk speelt een rol bij de aandoening glaucoom.

De pupil en het regenboogvlies (iris)

De iris
De iris wordt ook wel het regenboogvlies genoemd en bepaalt de kleur van de ogen. De iris ligt tegen de sclera maar is vrij opgehangen tussen het hoornvlies en de lens. De aanhechting van de iris (de irisbasis) bevindt zich ongeveer bij de limbus (de overgang van het hoornvlies en de harde oogrok).
 vooraanzicht oogDe iris functioneert als het diafragma in een fototoestel en zorgt ervoor dat het beeld niet overbelicht wordt. In fel licht wordt de pupil kleiner, in het donker wordt de pupil groter. Hierdoor kunnen we zowel in fel zonlicht als in schemer goed zien.

In de iris bevinden zich 2 soorten spieren die de pupilgrootte kunnen beinvloeden. In het binnenste deel (bij de pupilrand) bevindt zich een kringspier die de pupil nauwer maakt. Deze spier heet de musculus sphincter pupillae en wordt gestimuleerd door de parasympatische zenuw.
In het buitenste deel zit een radiaire spier (loodrecht op de kringspier) die bij samentrekking de pupil groter maakt. Deze spier heet de musculus dilatator pupillae en wordt gestimuleerd door de sympatische zenuw (voor een tekening, zie folder pupil/iris). Druppels die de pupil vergroten (bij oogonderzoek) of verkleinen, grijpen in op één van deze spieren in de iris (zie folder pupil/iris).
De iris bepaalt de kleur van de ogen. Heeft iemand veel pigment in de ogen dan is de iris bruin. Bij weinig pigment heeft men blauwe of grijze ogen. Bij albino's is de iris doorzichtig, maar heeft het een rode kleur vanwege de talrijke bloedvaatjes.
De kleur van de iris kan veranderen bij bepaalde oogziekten (bijv. een inwendige oogontsteking of uveitis genoemd) of door bepaalde medicijnen (bijv. glaucoomdruppels).

De pupil
De pupil kan het diafragma van het oog worden genoemd. Het is een ronde opening in de iris. De lichtstralen gaan door de pupil heen. Van buitenaf is de pupil zichtbaar als een zwarte opening doordat het binnenste van het oog een donkere kamer is. Indien men een foto maakt, wordt het rode licht van het netvlies gereflecteerd waardoor een “rode pupil” ontstaat op de foto. In fel zonlicht wordt de pupil klein, in schemer en donker groot. In de loop van de leeftijd kan de pupilopening wat nauwer worden.
De grootte van de pupilopening kan beinvloed worden door:

Uitgebreide informatie over:
- de spieren in de iris
- de aansturing van de iris-spieren door zenuwen
- beinvloeding van de pupilgrootte door oogdruppels (verwijding, vernauwing) bij een oogonderzoek
vindt elders op de website → zie folder pupil/iris.

Ooglens

De ooglens bevindt zich achter het regenboogvlies en is zichtbaar in de pupilopening. doorsnede inwendig deel van het oog De lens is, naast het hoornvlies, een van de belangrijkste brekende systemen van het oog. De ooglens breekt ongeveer 20 dioptrie. Bij elkaar opgeteld worden de lichtstralen door het hoornvlies en lens ongeveer 60-65 dioptrie gebroken.

De ooglens is niet star maar kan van sterkte veranderen door boller of platter te worden. Hierdoor is scherpstellen op verschillende afstanden mogelijk. De verandering van sterkte vindt plaats door een accommodatiespier in het straallichaam (corpus ciliare), die via de ophangvezels rondom aan de lens verbonden is. Als we op afstand kijken is de lens plat, als we lezen is de lens boller. Dit mechanisme van boller en dikker worden van de lens wordt accommodatie genoemd. We zijn dus in staat zowel van dichtbij als van veraf scherp zien. Dit vermogen van het oog wordt 'accommodatie' genoemd (zie folder over accommodatie).

Het vermogen om te accommoderen (scherpstellend vermogen van de ooglens) neemt in de loop van de leeftijd af door een toenemende stugheid van de lens door veroudering. Kinderen zijn in staat enorm te accommoderen, ouderen juist niet meer. Tot ongeveer 42-45 jaar kan het oog nog voldoende accommoderen om te kunnen lezen. Hierna wordt de lens stugger, waardoor het lezen (zonder bril) niet goed meer mogelijk is. Vandaar dat men meestal een leesbril nodig heeft vanaf ongeveer 42-45 jaar. De meest voorkomende aandoening van de ooglens is staar.
   zonula vezels


Zonula en corpus ciliare
De lens zit in een lenszakje. Het lenszakje zit d.m.v. hele dunne draadjes (ophangbandjes) aan het corpus ciliare (straalvormig lichaam) vast. Deze ophangbandjes worden zonulavezels genoemd. Het kan voorkomen dat deze zonulavezels zwakker zijn of worden na een staaroperatie (zie folder gecompliceerde staaroperatie). De zonula-vezels kunnen ook scheuren na een trauma (zonula ruptuur) of zwak zijn bij bepaalde syndromen.


  
links: overzicht oog
rechts: detail van het groene kader: zonula vezels

Het corpus ciliare begint 1 mm van de limbus (de overgang van het hoornvlies naar het slijmvlies/harde oogrok). Het corpus ciliare is 6 mm en bestaat uit 2 delen: de pars plicata (2 mm) en de pars plana (4 mm). De pars plicata speelt een rol bij de productie van kamerwater. Bij een disbalans tussen aanmaak en afvoer van kamerwater wordt er gesproken van glaucoom.
Na het corpus ciliare begint het netvlies. De overgang van het corpus ciliare en het netvlies wordt de ora serrata genoemd. Bij oogoperaties of ooginjecties wordt de binnenkant van het oog bereikt via de pars plana (hierdoor vindt er geen netvliesschade plaats).
Voor meer details over de afmetingen van het corpus ciliare → zie bouw en functie netvlies-glasvocht
In het corpus ciliare kan een gezwel ontstaan, een "corpus ciliare melanoom" genoemd. Dit komt zelden voor en omvat ongeveer 5% van alle uvea-melanomen.

Glasvocht
Er is een aparte folder over het glasvocht (zie bouw en functie netvlies-glasvocht). Hier volgt een samenvatting.

Achter de lens bevindt zich een ruimte die geheel gevuld is met glasvocht (corpus vitreum). Dit is een gelei-achtige substantie omgeven door een dun vlies (achterste glasvochtmembraan).

Het glasvocht bevat geen bloedvaten. Wel zitten er dunne collageenvezels in die zorgen voor de elasticiteit en de stevigheid van de gelei.

Met de loop van de jaren neemt de elasticiteit van de vezels in het glasvocht af. Rond het 60ste jaar gaat het glasvocht zich hierdoor verdichten en vervloeien.

Soms wordt het glasvocht wat minder transparant en zijn de vezels in het eigen oog zichtbaar. Deze structuur is dan zichtbaar op een wit vlak of bij het kijken in blauwe lucht. Men ervaart dit als troebelingen, spinneweb, vliegjes, puntjes. Dit wordt mouches volantes (vliegende muggen)  genoemd.

De bekendste klachten of afwijkingen van het glasvocht zijn: mouches volantes, een achterste glasvochtloslating,  een glasvochtbloeding en overige aandoeningen (zie elders op website www.oogartsen.nl.

Voor gedetailleerde informatie over de bouw van het glasvocht, de glasvochtloslating, de glasvochtbasis, de afmetingen van het corpus ciliare (straalvormig lichaam) en glasvochtbasis → zie folder bouw en functie netvlies/glasvocht/vaatvlies.

Netvlies (retina)
Er is een aparte folder over het netvlies (zie bouw en functie netvlies-glasvocht). Hier volgt een samenvatting.

Het netvlies of retina vormt de binnenbekleding van het oog. binnenbekleding van oog (netvlies)Het netvlies heeft een roodachtige kleur.

Als de oogarts in het oog kijkt, ziet men de volgende structuren: de gele vlek (macula, het centrum zonder bloedvaten), het begin van de oogzenuw (papil) en de daaruit komende bloedvaten (4 aanvoerende slagaders en 4 afvoerende aders).

De kop van de oogzenuw (papil) is de bleke ronde schijf in de tekening (diameter 1.5 mm). In dat gebied zitten geen zintuigcellen waardoor met dit gebied niet waargenomen wordt. Het wordt ook wel de blinde vlek genoemd.

In het centrum van het netvlies (middenachter op het netvlies) bevindt zich de gele vlek (macula lutea, diameter 5.5 mm). Het wordt ook wel de achterpool genoemd en bestrijkt ongeveer het gebied tussen de grote bloedvaten. In dit gebied komen de lichtstralen of beelden terecht waar we naar kijken.
Het centrale deel van de macula vertoont een depressie (afvlakking, soort dal) van het binnenste netvliesoppervlak. Dit wordt de fovea genoemd (fovea centralis, 1.5 mm), het bevat alleen kegels. In dat gebied is het netvlies dunner dan in het overige deel van de macula (het heeft op doorsnede de vorm van een kommetje of een dal). Omdat in de fovea de kegeltjes heel dicht op elkaar zitten, kunnen we hele fijne details zien. De fovea is herkenbaar aan een ovale lichtreflex.

  doorsnede centrum van netvlies

De fovea loopt verder langzaam af, waarbij de vorm te vergelijken is met een 'dal of ondiepe sloot'. Het centrale deel van de fovea, de bodem van de fovea, wordt de foveola genoemd (diameter 0.35 mm).

Het netvlies (retina) bestaat uit 11 lagen, van binnen (glasvochtzijde) naar buiten (vaatvlieszijde):

- ILM (internal limiting membrane, groene lijn)
- NFL (nerve fiber layer, gele lijn)
- GCL (ganglioncell layer)
- IPL (inner plexiform layer)
- MLM (middle limiting membrane)
- INL (inner nuclear layer)
- OPL (outer plexiform layer)
- ONL (outer nuclear layer)
- ELM (external limiting membrane)
- fotoreceptor (kegels, staafjes)
- RPE (retina pigmentepitheel)

Onder het netvlies bevindt zich het vaatvlies (choroidea). Het vaatvlies is een netwerk van bloedvaten (choriocapillaris en grotere choroidale vaten). Deze zorgen voor de zuurstofvoorziening van de buitenste lagen van het netvlies. Onder het vaatvlies zit de harde oogrok (sclera) die de stevigheid van het oog geeft.

In het netvlies bevinden zich speciale cellen die we fotoreceptoren noemen (bestaande uit de ONL en de fotoreceptorsegmenten). Deze fotoreceptoren zetten beelden om in elektrische signalen, die vervolgens naar de hersenen gaan. Voor gedetailleerde informatie over kegels en staafjes → zie folder netvlies/glasvocht.

Er zijn drie soorten kegeltjes, die elk gevoelig zijn voor een andere golflengte van het licht. De 3 kegeltjes hebben ieder een eigen spectrale gevoeligheid, te weten blauw, groen en rood. Een bepaalde kleur, die het oog "ziet", wordt ontleed in componenten die ieder van deze 3 kegeltjes kan verwerken. In de hersenen wordt deze informatie weer samengesteld tot een gewaarwording van de gegeven kleur. Gelijktijdige stimulatie van alle 3 soorten kegeltjes leidt tot de waarneming van "wit". Door verwerking van informatie van de verschillende soorten kegeltjes kunnen we alle kleuren tussen violet en rood zien. Voor afwijkende waarneming van kleuren → zie folder kleurenblindheid.

Samengevat: voor het scherpe zien en het waarnemen van kleuren dient vooral het centrale deel van de retina (de macula) met alleen kegeltjes; voor het waarnemen onder slechte lichtomstandigheden wordt meer gebruik gemaakt van de periferie van het netvlies (vooral staafjes).
Vele netvliesafwijkingen worden beschreven op deze website http://www.oogartsen.nl// bij rubriek "Glasvocht / Netvlies".

Voor overige informatie zoals:
- opbouw van netvlies in verschillende lagen
- fotoreceptoren (kegeltjes en staafjes)
- de macula pigmenten (luteine, zeaxanthine)
- de bloedvoorziening van het oog

  zie folder bouw en functie van netvlies/glasvocht/vaatvlies.

Vaatvlies en harde oogrok
Er is een aparte folder over het netvlies (zie bouw en functie netvlies-glasvocht). Hier volgt een samenvatting.

De harde oogrok (sclera) geeft het oog zijn stevigheid. De harde oogrok is wit en gaat aan de voorkant over in een doorzichtig deel, het hoornvlies (cornea). De sclera is het buitenste deel van het oog (de beschermlaag).  

Aan de achterzijde ligt tussen het netvlies en de harde oogrok het vaatvlies (choroidea). Dit vaatvlies is een dicht netwerk van bloedvaten, dat voor de voeding van het buitenste deel van het netvlies zorgt (o.a. van de staafjes en kegeltjes). Afvoer van bloed vindt plaats door 4 hoofdaderen, de vena vorticosa genoemd.

Afkortingen in de tekening:
H=hoornvlies (cornea)
R=regenboogvlies (iris)
G=glasvocht (corpus vitreum)
N=netvlies (retina)
V=vaatvlies (choroidea)
O=harde oogrok (sclera)
Z
=oogzenuw (nervus opticus)
S= spier

Het verwerken van het beeld in het netvlies is een proces dat veel energie kost. Deze energie wordt grotendeels geleverd door het vaatvlies. Het vaatvlies gaat aan de voorkant van het oog over in de iris (regenboogvlies).

De bekendste afwijking van het vaatvlies is een inwendige oogontsteking, ook wel uveitis genoemd (zie folder uveitïs).


De oogzenuw, oogzenuwbanen en hersencentrum
Achterin het oog bevindt zich de oogzenuw (nervus opticus). Het is in feite de informatiekabel die het oog verbindt met de hersenen. De plek waar de oogzenuw vast zit aan de oogbol heet de kop van de oogzenuw (papil). Deze kan men bij een oogonderzoek zien. De diameter van de papil is ongeveer 1,5 mm. Alle zenuwen afkomstig van de staafjes en kegels komen samen in de papil; dit zijn ruim 1 miljoen zenuwvezels. De papil heeft zelf geen netvlies waardoor men hier niet mee kan kijken. Daarom wordt het de 'blinde vlek' genoemd. Daar waar de oogzenuw de oogbol verlaat, wordt de oogzenuw dikker, namelijk ongeveer 3 mm. Dit komt doordat de zenuwvezels daar een beschermlaagje (isolatielaagje) om zich heen hebben. Dit wordt de myelineschede genoemd.

De oogzenuw loopt in de oogkas naar achteren en gaat door een opening in de schedelbasis naar de schedel toe. Vrijwel direct daarna kruist een gedeelte van de zenuwvezels elkaar. Deze kruising wordt het chiasma opticum genoemd. In dit kruispunt wordt de helft van de informatie afkomstig van het linker oog naar de linker hersenhelft gestuurd (ongekruiste zenuwvezels) terwijl de andere helft naar de rechter hersenhelft gestuurd wordt (het gekruiste deel). Ditzelfde geldt ook voor het rechter oog. Elke hersenhelft ontvangt zo halve beelden uit beide ogen.

Na de kruising van de zenuwvezels in het knooppunt (chiasma opticum), ontspringen van hieruit 2 banen die ieder naar de linker en rechter hersenhelft toe lopen. Zo’n baan wordt de tractus opticus genoemd.  

Vanuit de kruising lopen alle signalen die uit het rechterdeel van het gezichtsveld van beide ogen komen, via de linker oogzenuwbaan, naar het ziencentrum links (in de hersenen). Alle signalen uit het linker gezichtsveld van beide ogen gaan naar het ziencentrum rechts. De zenuwvezels, afkomstig van de linker gezichtsvelden van beide ogen, vervolgen hun weg in de rechter tractus opticus en gaan dan naar de rechter hersenhelft toe (en visa versa).  

De tractus opticus komt uit in bepaalde zenuwknopen (corpus geniculatum laterale, zie de blauwe en gele knoop in de tekening). Na deze zenuwknoop gepasseerd te zijn, komen de zenuwvezels, via de radiatio optica, uiteindelijk terecht in de ziencentra van de hersenen, ofwel de hersenschors (het visuele centrum in de optische schors of occipitaal kwab). Dit hersendeel bevindt zich in het achterhoofd en hiermee registreren wij de beelden (rode en roze gebied).

tekening (doorsnede door hersenen):
- grijs gebied = grote hersenen
- lichtgroen gebied = hersenstam
- oranje gebeid = kleine hersenen
- rode/roze gebied = ziencentrum

De zenuwvezels komen terecht in de "primaire visuele (calcarina) cortex" in de occipitale kwab (andere benamingen voor dit primaire visuele gebied zijn striate cortex, Brodmann area 17 of V1). In dit deel van de hersenschors komen de beelden aan (zie het rode gebied in de tekening).

De gele vlek (macula) in het oog bevat de meeste receptoren en neemt dan ook een groot deel van de optische schors in beslag. Dit verklaart waarom met de gele vlek zo scherp kan worden gezien. De vezels van de gele vlek komen terecht in het meest achterste deel van de schors (achterste tip van de schors), de vezels van het omliggende veld (perifere gezichtsveld) eindigen in het voorste deel van de hersenschors.
De gegevens uit de gele vlek komen in beide ziencentra links en rechts in de hersenen terecht. Dit is een soort extra beveiliging, zodat bij uitval aan één kant van de hersenen de functie van de gele vlek niet helemaal uitvalt.

Naast de primaire visuele (striate) cortex bestaan nog andere omliggende hersengebieden die behoren tot de occipitale schors (roze gebied). Deze omliggende gebieden zijn de parastriate cortex (Brodmann area 18 of V2) en de peristriate cortex (Brodmann area 19, V3 en hoger). Deze gebieden spelen een rol bij de integratie van het gezichtsvermogen (de hogere visuele functies, gevoeligheid bij beweging en richtingsgevoel, cerebrale kleurwaarneming, snelheid en richting van bewegende beelden ed).

Voorbij de kruising (chiasma) geldt dan ook de volgende regel. Als één van deze banen die ontspringen vanaf het chiasma opticum (tractus opticus, radiatio optica of het visuele hersencentrum) uitgeschakeld wordt, dan beinvloedt dat het halve beeld van beide ogen. Bij uitval van de zenuwbaan in de linker hersenhelft wordt het rechter deel van het gezichtsveld, zowel voor het linker als het rechteroog, niet meer gezien. Omgekeerd zal bij een uitval in de rechter hersenhelft, bijv. door een herseninfarct, het linker deel van het gezichtsveld niet meer worden waargenomen.
Deze uitval van het gezichtsveld kan compleet of incompleet zijn. Het wordt ook wel een homonieme heminanopsie genoemd (homoniem= aan beide zijden gelegen; hemianopsie= halfzijdige uitval). Uitval van het gezichtsveld is aan de tegenoverliggende zijde van de aandoening gelegen, dus uitval van het linker deel van het gezichtsveld wordt veroorzaakt door een afwijking in de rechter hersenhelft (ook wel contralateraal genoemd).
Voor een overzicht van de afwijkingen van de oogzenuw en hersenbanen →  lees verder.

 De hersenzenuwen
Bepaalde hersenzenuwen spelen een rol bij het oog. De hersenen bevatten 12 hersenzenuwen. De hersenzenuwen sturen de volgende structuren aan:

de 2e hersenzenuw (nervus opticus)de oogzenuw

de 3e hersenzenuw (nervus oculomotorius)

aansturing diverse oogspieren
aansturing van bovenoogleden
aansturing pupil - accommodatie

de 4e hersenzenuw (nervus trochlearis)aansturing van oogspier (schuine oogspier)
de 5e hersenzenuw (nervus ophthalmicus)gevoeligheid hoornvlies
de 6e hersenzenuw (nervus abducens)aansturing oogspier
de 7e hersenzenuw (nervus facialis)gelaatsspieren en oogleden

Uitvalverschijnselen van diverse hersenzenuwen worden in diverse folders beschreven, onder de rubriek "Zenuwen / Oogkas":

- de 2e hersenzenuw → lees verder.
- de 3e, 4e, 6e hersenzenuwen → lees verder.
- de 7e hersenzenuw → lees verder.

Oogkas (orbita)
Het oog bevindt zich in een relatief beschermde omgeving, de oogkas.    

Het oog is omgeven door vetweefsel, 6 oogspieren (rechte en schuine oogspieren), ooglidspieren (die het bovenooglid heffen) en botweefsel (de oogkas). In de oogkas bevindt zich ook de traanklier. De oogkas wordt ook wel "orbita"genoemd.

De beelden worden geregistreerd door het netvlies en via de oogzenuw doorgezonden naar de hersenen. De oogzenuw loopt vanuit de achterzijde van het oog naar de hersenen.

Aan alle zijden wordt het oog beschermd door verschillende botstukken. Dit geldt voor bovenzijde, onderzijde, binnenzijde, buitenzijde en achterzijde). In de oogkas liggen tevens de oogspieren, de traanklier en vetweefsel. De belangrijkste aandoeningen van de orbita zijn een botbreuk van de bodem (orbitabodemfractuur bij een ongeval) en de Graves' orbitopathie (schildklieraandoening →  lees verder).

Traanwegen
De oogleden hebben een beschermende functie tegen
- uitdroging van het oog
- fel licht
- vreemde voorwerpen die op ons afkomen

We knipperen met de oogleden, waardoor de traanfilm, die op het hoornvlies ligt, steeds ververst wordt en het oog tegen uitdroging beschermd wordt. traanklier en traanwegenHet traanvocht wordt onder andere gemaakt door de traanklier (zie 1 ). Deze ligt aan de buitenkant van het bovenooglid, onder de rand van de oogkas. Van daaruit vloeit het traanvocht als een dun filmpje over de voorzijde van het oog om het tegen uitdroging te beschermen. De bouw van het ooglid wordt uitvoerig uitgelegd bij rubriek "Oogleden" → lees verder.

Bij fel licht knijpen we de ogen tot spleetjes, zodat er minder licht de pupil binnen kan komen en we niet verblind raken. Bij het naderen van vreemde voorwerpen worden de oogleden in een reflex snel dichtgeknepen.

Aan de neuszijde zitten in het boven- en onderooglid de traanpunten (2) en traankanaaltjes (3). Dit zijn afvoerbuisjes, waardoor het traanvocht, via de traanzak (4) naar de neus (6) wegloopt. Dit kunnen we merken wanneer we huilen. Niet alleen rollen er tranen uit de ogen, maar door het vele traanvocht gaan we ook snotteren. Ooglidafwijkingen en correcties ervan worden beschreven in de folder of op deze website bij rubriek "Oogleden". De tranen verdwijnen in ongeveer 10-20% door verdamping. De meeste tranen worden actief afgevoerd via het traanafvoersysteem door de pompfunctie van de oogleden (de orbicularis of kringspier in de oogleden).

Oogspieren, verdovingstechnieken, visus, stoornissen in de waarneming
In de oogleden zitten de kringspier (musculus orbicularis) voor het sluiten van de oogleden en bovenooglidheffers om het oog te openen (m. levator palpebrae, m. tarsalis superior). Het oog wordt bewogen door 6 oogspieren, 4 rechte en 2 schuine oogspieren. Dmv deze oogspieren zijn we in staat om de ogen in alle blikrichtingen te bewegen. De oogspieren worden aangestuurd door 3 hersenzenuwen (nervus III, IV en VI). De details worden in een aparte folder beschreven:

Refractie (brilsterkten)
Normaliter vallen lichtstralen of beelden precies op het netvlies waardoor ze scherp worden waargenomen.
 Refractie- of brekingsafwijkingen zijn afwijkingen van de brilsterkten. Hierdoor gaat men wazig zien. Deze refractieafwijkingen zijn onder te verdelen in:



Deze folder is afkomstig van www.oogartsen.nl  (Deventer ziekenhuis); een samenwerkingsverband tussen het Deventer ziekenhuis (Deventer), CWZ (Nijmegen), Catharina ziekenhuis (Eindhoven), Elisabeth ziekenhuis (Tilburg) en Maxima Med. Centrum (Veldhoven), copyright.
Voor de aandachtsgebieden van oogartsen, zie folder subspecialisaties.

Update: 27 januari 2010


print deze pagina
 
ga naar boven