DZ/CWZ/CZE/EZ/MMC

Het meten van het gezichtsvermogen (visus)

Inhoudsopgave:

Wat is de visus (gezichtsscherpte)
Bepaling van de gezichtsscherpte is belangrijk bij elk oogheelkundig onderzoek. De oogheelkundige term voor gezichtsscherpte is de "visus". De visus wordt van elk oog afzonderlijk, zonder of met eventuele correctie (bril, contactlens), onderzocht. De Utrechtse hoogleraar Snellen (1862) stelde dat een oog met een 'normale' visus welomschreven details moet kunnen onderscheiden in zwarte figuren op een witte achtergrond. De visus in Nederland wordt bepaald volgens Snellen.

Hoe meten we de visus?
De letterkaart
De letterkaart voor veraf zien wordt meestal op een afstand van 6 meter geplaatst (zie foto), op een goed verlichte plaats. Dit is de reden dat een oogartsenkamer zo'n 6 meter lang is. De oogarts gebruikt normaliter de zogenaamde Snellen-kaart. De visus (Snellen-visus) wordt dan uitgedrukt in een getal. Een gemiddeld oog ziet 1.0 (100%). Sommige ogen zien meer dan normaal, bijvoorbeeld 1.2 (120%) of 1.6 (160%). Een oog dat minder ziet dan normaal ziet bijvoorbeeld 0.8 (80%), 0.6 (60%), 0.5 (50%), 0.4 (40%), 0.3 (30%), 0.2 (20%), 0.1 (10%) of 0,05 (5%).

De grootste letter op de letterkaart wordt nog gezien als iemand 0.05 kan zien. Patiënten die minder zien dan 0.05 kunnen deze grootste letter op de letterkaart niet meer waarnemen. Er moet dan overgegaan worden op vingers tellen.

Naast de Snellen-visus bestaat een logMAR-visus. Om onderzoeksredenen kan een speciale kaart worden gebruikt, de logMAR-kaart. Hierbij wordt gekeken naar de hoekvergroting waarmee het object wordt gezien. Deze maat is van belang bij wetenschappelijk onderzoek. De visus in logMAR staat voor: het logaritme of the minimal angle of resolution.

Bijvoorbeeld:
Indien de logMAR afneemt van 0.4 naar 0.2, dan neemt het gezichtsvermogen (visus) 2x toe. Uitgedrukt in de Snellen-visus neemt in dit geval de visus toe van 40% naar 63%. In de wandelgangen (opticien, oogarts) wordt gebruik gemaakt van de Snellen-visus.
Andersom betekent dit dat bij een toename van de visus van 40% naar 80% de visus niet met een factor 2 toeneemt. Immers de logMAR-visus neemt af van 0.4 naar 0.1 en de werkelijke visus neemt dus 4x toe.
Ander voorbeeld: bij een visustoename (Snellen) van 10% naar 20%, neemt de visus toe met factor 1.4x (van logMAR 1.0 naar 0.7)

Hieronder ziet u een tabel om de waarden te vergelijken. 

 visus

notatie
internationaal 

visus 
volgens Snellen 

(gebruikt door
opticien/oogarts)

visus in
logMAR
  
EDTRS 
 20/10 2.00 (200%) -0.3 
 20/12.5 1.60 (160%) -0.2 5 kleinste letters
 20/16  1.25 (125%) -0.1 5 kleine letters
 20/20 1.00 (100%) 0 5 normale letters
 20/25 0.80 (80%) 0.1 5 grotere letters
 20/32 0.63 (63%) 0.2 etc
 20/40 0.50 (50%) 0.3 
 20/50 0.40 (40%) 0.4 68-
 20/63 0.32 (32%) 0.5 
 20/80 0.25 (25%) 0.6 55-59
 20/100 0.20 (20%) 0.7 50-54
 20/125 0.16 (16%) 0.8 45-49
 20/166 0.12 (12%) 0.9 40-44
 20/200 0.10 (10%) 1.0 35-39

ETDRS letterscore
* letterscore ≤ 34 komt ongeveer overeen met een Snellen-visus van < 0.1
* letter 34 = 0.10
* letterscore 35-54 komt ongeveer overeen met een Snellen-visus van ≥ 0.1 en <0.25
* letter 54 = 0.25
* letterscore ≥ 55 komt ongeveer overeen met een Snellen-visus van ≥ 0.25
* letter 68 = 0.40

Vingers tellen
Als de grootste letter niet kan worden onderscheiden, kan de gezichtsscherpte worden onderzocht door vingers te laten tellen van een opgestoken hand. Een waarnemer met een 'normale' visus kan op 60 meter afstand nog vingers onderscheiden. De visus wordt dan ook uitgedrukt in 'zestigste (../60)'. De patiënt wordt gevraagd op welke afstand hij de vingers van de onderzoeker nog kan zien. Bijvoorbeeld als een patiënt de vingers kan tellen op maximaal 2 meter afstand dan wordt de visus 2/60. De visus kan liggen tussen 1/60 en 5/60 (immers bij een visus van 6/60 zou de patiënt de letterkaart op 6 meter weer kunnen lezen).

Handbewegingen
Als de visus zo laag is, dat geen vingers kunnen worden geteld, kan de gezichtsscherpte worden bepaald door het waarnemen van handbewegingen. Normaliter wordt men geacht handbewegingen te kunnen onderscheiden op 300 meter afstand. De visus wordt dan ook uitgedrukt in 'driehonderste (../300)'. De patiënt wordt gevraagd op welke afstand hij de handenbewegingen van de onderzoeker nog kan zien. Bijvoorbeeld als een patiënt de handbewegingen kan zien op maximaal 4 meter afstand dan wordt de visus 4/300. De visus kan liggen tussen 1/300 en 5/300. Een patiënt met 5/300 (=1/60) zal waarschijnlijk ook de vingers op 1 meter weer kunnen waarnemen.

Lichtperceptie (waarneming van licht)
Is het gezichtsvermogen zo slecht dat ook handbewegingen niet kunnen worden waargenomen, kan worden nagegaan of de patiënt een lampje (penlight of oogspiegel) al dan niet ziet. Er zijn dan drie mogelijkheden:

Contrast en gezichtsvermogen
Met contrast worden verschillen in kleurintensiteit bedoeld die gelijktijdig in het gezichtsveld aanwezig zijn. Bijvoorbeeld, de zwarte letters op papier zijn goed leesbaar omdat ze afsteken tegen het witte papier. Lichtgrijze letters zijn daarentegen moeilijker te lezen op dezelfde kleur achtergrond. Hoe groter het contrast, hoe beter de letters te lezen zijn. De kleuren van het object en de achtergrond zijn van belang. Sommige slechtzienden kunnen last hebben van grote helderheidsverschillen die ontstaan wanneer grote vlakken een sterk verschillende lichtopbrengst hebben (bijv. een licht gekleurd vlak naast een donker vlak). Hun ogen hebben moeite zich aan de verschillende lichtsterkten aan te passen. Een witte achtergrond (bijv. een tafel) weerkaatst het opvallende licht (voor 90%) waardoor het effect van een spiegel ontstaat. Slechtzienden zullen meer last hebben van dit weerkaatste licht en daarom is een witte tafel minder geschikt. Wit servies is beter zichtbaar op een donker tafelkleed, een glas is tegen elke achtergrond moeilijker zichtbaar door een laag contrastgehalte.

Het meten van het gezichtsvermogen
Het gezichtsvermogen (visus) is afhankelijk van het contrast van het voorwerp waar men naar kijkt. Een helder object bij een goede achtergrondsverlichting is beter zichtbaar dan een minder helder object bij slechte lichtomstandigheden. Bijvoorbeeld, het lezen van een boek gaat beter bij een goed contrast tussen de letters en de achtergrond. Ook gaat het beter bij goede lichtomstandigheden (een lamp).

Bij het meten van de visus kan men het object (de letter waar men naar kijkt) verschillende lichtintensiteiten geven. Tevens kan de visus worden gemeten in een ruimte met verschillende lichtomstandigheden: bij normale lichtomstandigheden (fotopisch), bij middelmatige lichtomstandigheden (mesopisch) of bij lage lichtomstandigheden (duisternis).

Een voorbeeld van een contrastgevoeligheidstest: de visus wordt gemeten met een object met verschillende contrastpercentages (100%, 25%, 10%, 5%, 2.5%) en met verschillende omgevingsverlichting (belichting van de kaart): fotopisch (helder licht, 100 candelas / mm2) en mesopisch (minder helder licht, 2 candelas / mm2):

De contrastgevoeligheid:

Het optimaliseren van de visus
Indien de visus lager is dan 1.0, wordt eerst geprobeerd de visus te verbeteren met voorzet-glaasjes met verschillende sterkten (brillenglaasjes). Dit noemen we "refractioneren". 

Een oog dat een correctie (bril, lenzen) nodig heeft om optimaal te kunnen zien, heeft een refractie afwijking. Dit houdt in dat bij één of beide ogen een bepaalde fout zit in het brekingssysteem. De verschillende brekings- of refractieafwijkingen worden besproken op de website (oogartsen.nl) → zie folder refractie-afwijkingen.

De optimale visus kan, ook met bril of lenzen, lager zijn dan 1.0 (100%). Meestal komt dit doordat er een oogziekte aanwezig is. De onderzoeker kan proberen of visusverbetering kan worden bereikt met behulp van een stenopeïsche opening, dit zijn 1 of meerdere kleine gaatjes van 1 mm doorsnede in een (metalen) plaatje. De patiënt kijkt dan door de gaatjes naar de letterkaart. Deze test helpt de oogarts om een diagnose te stellen.

Door de kunstmatige diafragmawerking van de kleine gaatjes wordt de scherptediepte vergroot (de sferische en de chromatische aberratie van de binnenvallende lichtstralen worden weggenomen). Indien met een stenopeïsche opening een visusverbetering wordt bereikt, kan dit betekenen dat 

Op deze wijze kan een brekingsafwijking van een visusbedreigende oogafwijking onderscheiden worden.

De leesvisus
De leesvisus kan worden bepaald met een speciale letterkaart voor korte afstand, of met iedere andere leestekst die voorhanden is (telefoonboek, spoorboekje, krant, ponskaartje). Na de leeftijd van ongeveer 45 jaar wordt ook de sterkte van het leesdeel van de bril bepaald. In de bril wordt dan het leesdeel geslepen. Men kan kiezen uit een aparte leesbril, een bifocale bril of een multifocale bril.

Brilmeting door oogarts
De oogarts heeft de visus nodig om een diagnose te stellen: is er sprake van een refractie-afwijking (bril) of van een oogziekte? Dit noemen we een "diagnostische refractie". Deze meting wordt niet tot in details bepaald. De opticien zorgt voor de uiteindelijke, optimale brilmeting. Het leesdeel van de bril (leesadditie) wordt ook bepaald door de opticiën of optometrist. De soort bril (mono/bi/multi-focaal etc) moet u overleggen met de opticiën/optometrist.

Kortom, de oogarts meet wel de visus en refractie om een diagnose te stellen, maar doet geen optimale meting voor de bril zelf. Soms krijgt u een briladvies mee van de oogarts, echter dit briladvies zal altijd gevolgd worden door na-refractie door uw opticiën of optometrist, die de eindverantwoordelijkheid heeft voor het afgeleverde hulpmiddel.



Deze folder is afkomstig van www.oogartsen.nl  (Deventer ziekenhuis); een samenwerkingsverband tussen het Deventer ziekenhuis (Deventer), CWZ (Nijmegen), Catharina ziekenhuis (Eindhoven), Elisabeth ziekenhuis (Tilburg) en Maxima Med. Centrum (Veldhoven), copyright.
Voor de aandachtsgebieden van oogartsen, zie aandachtsgebieden (subspecialisaties).

Update: 11 juli 2010


print deze pagina
 
ga naar boven