Anatomie en functie van Hoornvlies en Slijmvlies
Inhoudsopgave:- Bouw van het oog met animatiefilm
- Het hoornvlies (cornea)
- de bouw
- de functie
- het brekend vermogen
- Bindvlies of slijmvlies van het oog (conjunctiva)
- de bouw
- de functie
- Traanfilm
Bouw van het oog
Het hoornvlies, de cornea genoemd, is het heldere voorste deel van het oog, waardoor het licht het oog binnenkomt. Het is een voortzetting van het witte deel van het oog (de harde oogrok of sclera genoemd). De sclera omvat de hele oogbol. Achter het hoornvlies is het gekleurde deel van het oog te zien, het regenboogvlies (iris).

Animatiefilm (alleen op website, met geluid)
Het hoornvlies (de cornea)
a) De bouw van het hoornvlies
Het hoornvlies heeft een dikte van ongeveer 0,5 mm en is opgebouwd uit een 5 lagen (zie tekening hierna). Het buitenste deel van het hoornvlies is bedekt door een dun laagje 'huid' (epitheel, zie a). Het epitheel kan zich, in tegenstelling tot andere structuren van het hoornvlies, na beschadiging vrij goed en snel herstellen zonder littekenvorming, omdat de epitheelcellen zich steeds vernieuwen.
→ detail → 
Tekening rechts: a= epitheel, b= stroma, c= endotheel
Na het epitheel volgt een dun laagje, de Bowmanse membraan (tussen a-b gelegen). Het middelste laagje is het stroma (zie b). Dit stroma bestaat uit een netwerk van water en collageenvezels en vormt 90% van de dikte van het hoorvlies. Hierna komt een taai dun laagje, de descemet membraan genoemd (tussen b-c gelegen). Op deze descemetmembraan rust het binnenste laagje, het endotheel genoemd (zie c).
Het hoornvlies is geheel doorzichtig, bevat geen bloedvaten en laat de lichtstralen door, zodat deze ongehinderd het netvlies kunnen bereiken.
Doordat het hoornvlies zelf geen bloedvaten heeft, is het voor zijn voeding afhankelijk van externe vloeistofstromen. Aan de buitenkant is dat de traanfilm die de buitenste lagen voedt, vochtig houdt en van
zuurstof voorziet (epitheel, oppervlakkig stroma).
Aan de binnenzijde gaat het hoornvlies over in kamerwater. Kamerwater bevindt zich in de voorste oogkamer (VOK). Aan de binnenkant regelt het kamerwater (inwendige oogvocht) de stofwisseling van de binnenste lagen van het hoornvlies (bijv. endotheel, diepere stroma).
Overige kenmerken
- De dikte van het hoornvlies is ongeveer 0.5 mm (500 μm).
- Het hoornvlies is uitermate gevoelig omdat er veel kleine zenuwtjes, afkomstig van de 5e hersenzenuw (nasociliaire tak), in lopen. De zenuwen bezitten geen isolerende laag (myelineschede) meer waardoor ze uitermate gevoelig zijn.
- Het hoornvlies bevat geen bloedvaten.
- De diameter van het hoornvlies is in het horizontale vlak 11.5 - 12.0 mm en in het verticale vlak 1.0 mm minder.
- Het hoornvlies is aan de randen dikker dan in het centrum
Het epitheel
Het epitheel is de buitenste laag, vormt de eerste barrière met de buitenwereld en is een integraal onderdeel van de traanfilm-cornea overgang (hetgeen belangrijk is voor het brekend vermogen van het oog). Het bestaat uit 4-6 lagen met een dikte van 40-50 μm. De epitheelcellen hebben een gemiddelde levensduur van 7 dagen (na 1 week heeft een volledige turnover van de epitheliale laag plaatsgevonden). De cellen rusten op een 'epitheliale basement membraan' die ongeveer 0.05 μm dik is.
De Bowmanse laag (membraan van Bowman)
Feitelijk is dit geen echte membraan maar een condensatie van materiaal (zonder cellen) van het meest voorste deel van het stroma. De laag heeft een dikte van ongeveer 15 μm en helpt het hoornvlies mede de vorm te behouden. Als het eenmaal beschadigd raakt, vindt geen herstel meer plaats en kan littekenweefsel gevormd worden.
Stroma
De dikte van het hoornvlies wordt voor ± 80 - 85% bepaald door het stroma. Stroma bestaat uit collageenvezels (fibers) die georganiseerd zijn in parallelle bundels (fibrillen). Deze fibrillen zijn gebundeld in parallelle lagen (lamellae; ongeveeer 200-250 afzonderlijke lamellae aanwezig). Daarnaast bevinden zich in het stroma nog cellen (keratocyten genoemd), die zich mn in het voorste deel van het stroma bevinden. Stroma bestaat uit ongeveer 78% water.
Descemet membraan (DM)
Deze laag neemt in de loop der tijd toe in dikte (ongeveer 10-13 μm). De overgang van het stroma naar de DM wordt ook wel 'interfacial matrix' genoemd. Deze verbinding wordt verbroken bij bepaalde lamellaire hoornvliestransplantaties (DMEK, zie betreffende folder).
Het endotheel
Het endotheel vormt de achterkant van het hoornvlies en is 1 cellaag dik.
De endotheelcellen hebben meestal een zeshoekige vorm (hexogonl) maar andere vormen (pentagon ed) komen voor. In een gemiddelde cornea heeft 60-80% van de endotheelcellen een hexagonaal patroon. Met toenemende leeftijd veranderen het aantal cellen (endotheelcel dichtheid, ECD) en het patroon vande cellen (polymegatisme, pleomorfisme). De ECD neemt af en het polymegatisme (de variatie in celgrootte) en het pleomorfisme (variatie in de celvorm) toe (een toenemende pleomorfisme betekent een verminderen van het % hexagons).
Normaliter komt er continu water in het hoornvlies terecht vanuit de voorste oogkamer (deze ruimte ligt tussen de lens en het hoornvlies). Hierdoor zal het hoornvlies zwellen. Echter, het endotheel bevat allemaal kleine waterpompjes die juist het water weer uit het hoornvlies pompen. Dit proces, invoer en afvoer van vocht in het hoornvlies, is in evenwicht, waardoor het hoornvlies dun en transparant blijft. Twee mechanismen kunnen leiden tot een gezwollen hoornvlies: a) een onvoldoende functie van het endotheel of b) een verhoogde oogdruk (hierdoor wordt meer vocht in het hoornvlies geperst).
Oorzaken van het verlies van endotheelcellen
De hoeveelheid endotheelcellen (ECD) neemt in de loop van het leven geleidelijk aan af (leeftijdsafhankelijk), ongeveer van 5.000 cellen per mm2 bij de geboorte, 3.000-4.000 cellen per mm2 bij kinderen/jong volwassenen (10-30 jr) tot 2.000-2.500 cellen per mm2 bij ouderen (60-80 jr). Normaliter heeft een normaal (gemiddeld) hoornvlies ongeveer 2.500-3.000 cellen per mm2. De snelste daling van de ECD vindt plaats < 10 jr. De endotheelcellen kunnen zich niet of nauwelijks delen of vermeerderen. De hoeveelheid endotheelcellen is o.a. afhankelijk van:
- leeftijd
- locatie: de hoeveel endotheelcellen is aan de randen (periferie) hoger dan in het centrum van het hoornvlies (+10%)
- etniciteit: de ECD is bijv. aanzienlijk hoger bij de Japanse bevolking dan bij de blanke Amerikaanse bevolking.
foto links: 2500 cellen per mm2
foto rechts: 750 endotheelcellen per mm2

foto links: scanning electronenmicroscoop van endotheelcellen (zes-hoekig patroon)
foto rechts: hoge vergroting van endotheelcellen (een cel met een kern)

(proefschrift Hoppenreijs)
Oorzaken van een verminderd aantal endotheelcellen zijn o.a.:
- Leeftijd: de snelste daling van de ECD vindt plaats < 10(-20) jr.
- Een trauma (ongeval)
- Operaties (zie folder operaties) en refractieve ingrepen. Schade kan optreden na een inwendige oogoperatie, zoals na een staaroperatie, een hoornvliestransplantatie of na implantatie van een kunstlens (om de brilsterkte te compenseren; zien zonder bril) (zie folder gecompliceerde staaroperatie).
- Hoornvliesziekten, zoals de hoornvliesziekte van Fuchs (Fuchse endotheliale dystrofie) en de PPMD (posterior polymorfe dystrofie).
- Overige. Voorbeelden zijn oa een risico op een lagere ECD bij glaucoompatienten, contactlensdragers (mn de vroegere lenstypes, meer variatie in celgrootte/vorm en/of een lagere ECD).
Het vermogen tot celdeling van de endotheelcellen is nauwelijks aanwezig en neemt in de loop van de leeftijd af. Het aantal cellen per mm2 (ECD) neemt in de loop van de tijd af met gemiddeld 0.3-0.6% (SD ± 0.5%) per jaar [JCRS 2011;767]. Na een staaroperatie wordt dit 2.5% per jaar, bij patiënten die een hoornvliestransplantatie hebben ondergaan, bedraagt de afname ongeveer 4.2% per jaar. Normaliter heeft een normaal hoornvlies ongeveer 2.500-3.000 cellen per mm2. Indien dit celaantal daalt tot 600-800 cellen per mm2, dan kan de functie tekort gaan schieten. Hierdoor is de pompfunctie onvoldoende en kan het hoornvlies dikker worden (cornea decompensatie).
Wanneer het endotheellaagje verzwakt, stroomt er meer vocht in het hoornvlies dan dat eruit gepompt wordt. Hierdoor kan het hoornvlies dikker, troebel en dus minder doorzichtig, worden.
Dit leidt dan tot een vermindering van de gezichtsscherpte. Dit wordt een "cornea-decompensatie" genoemd (zie foto hiernaast). Er is ook een aandoening waarbij een toenemende zwakte van het hoornvlies endotheel ontstaat, de hoornvliesdystrofie van Fuchs genoemd (zie website www.oogartsen.nl, folder → Fuchs). Bij een hoornvliesdystrofie van Fuchs (ook wel Fuchse endotheliale dystrofie genoemd) is er een afwijking aan de binnenste laag van het hoornvlies, het endotheel. Het is een traag verlopende afwijking waarbij het aantal endotheelcellen aan de achterzijde van het hoornvlies sneller afneemt dan normaal.
Het hoornvlies heeft geen bloedvaten. Hierdoor is het hoornvlies helder en doorzichtig (transparant) waardoor het gezichtsvermogen optimaal is. Bij bepaalde aandoeningen groeien bloedvaatjes in het hoornvlies (corneale neovascularisaties genoemd) waardoor het gezichtsvermogen kan dalen en er een grotere kans bestaat op een afstotingsreactie na hoornvliestransplantaties.
b) De functie van het hoornvlies
Het hoornvlies beschermt het oog en speelt een essentiele rol bij de breking van lichtstralen. De lichtstralen of beelden worden door het hoornvlies gebroken zodat er uiteindelijk een scherp beeld ontstaat op het netvlies. Het hoornvlies werkt als een lens/vergrootglas, die zelfs sterker is dan de eigenlijke ooglens (ongeveer 2x sterker). De brekingssterkte van een lens wordt uitgedrukt in dioptrieën (D)(net als de sterkte van een vergrootglas). Hoe groter het aantal dioptrieën, hoe sterker de lens (ook kan de kromming worden uitgedruk in een 'radius', omrekening brekingsvermogen of ' power' = (1.337,5 - 1.000) / 7,5). Zo komt een radius van 7,5 mm overeen met een breking van 45 D.
c) Het brekend vermogen van het hoornvlies (refractie)
De brekingssterkte of refractie van het hoornvlies is ongeveer 45 dioptrieën (afgekort met D).

Dit brekend vermogen wordt bepaald door het vóór- en achtervlak van het hoornvlies en de brekingsindexen (de overgang van lucht → hoornvlies → kamerwater).
Lichtstralen of beelden worden gebroken door het hoornvlies en de ooglens en komen dan op het netvlies terecht.
Het vóórvlak van het hoornvlies heeft een refractie van ongeveer + 49 D, het achtervlak van het hoornvlies (overgang hoornvlies-voorste oogkamer) heeft een brekend vermogen van -6 D. Tezamen heeft het hoornvlies dus een refractie van ongeveer 43 D.
De ooglens breekt ongeveer 20-22 D.
Bij elkaar opgeteld worden de lichtstralen door het hoornvlies en de lens dus ongeveer 60-65 D gebroken.
De lichtstralen worden gebroken door het hoornvlies (cornea) en de lens. Echter de lichtstralen worden niet door elke deel van het hoornvlies gelijkmatig gebroken. Dit geldt ook voor de ooglens. Dit heeft te maken met de vorm van het brekend vlak.
Aberratie betekent dat de lichtstralen een afwijkend verloop hebben. De lichtstralen, vanuit het centrum en vanuit de randen van het lenzenstelsel, worden niet in dezelde mate gebroken. Bij aberraties worden niet alle lichtstralen op de juiste manier gebroken waardoor ze niet allemaal perfect op het netvlies terecht komen. Hierdoor is het beeld waar we naar kijken, niet optimaal scherp.
De brekingsafwijkingen (aberraties) kunnen onderverdeeld worden in lage-orde en hoge-orde aberraties:
Tot de lage-orde aberraties behoren de myopie (bijziendheid), hypermetropie (verziendheid) en astigmatisme (cylindrische afwijking). De lage-orde aberraties vormen ongeveer 90% van alle aberraties. Deze aberraties zijn te corrigeren met bril of contactlenzen.
De hoge-orde aberraties zijn complexere brekingsafwijkingen (vergelijk dit met een hobbelig maanoppervlak in plaats van een mooie ronde voetbalvorm). Deze aberraties zijn niet te corrigeren met een bril. Door het geringe percentage hoge-orde aberraties wordt de kwaliteit van het zien nauwelijks negatief beinvloed. De belangrijkste vorm is de sferische aberratie (SA). Bij positieve sferische aberraties worden de perifere lichtstralen (aan de randen) gefocuseerd vóór de centrale lichtstralen; bij een negatieve sferische aberratie worden de perifere lichtstralen gefocuseerd achter de centrale lichtstralen. Het hoornvlies heeft een positieve SA.
Aberraties spelen een rol bij nacht-bijziendheid (nacht-myopie), refractiechirurgie (ooglaseren) en kunstlenzen bij staaroperaties. Voor meer informatie over aberraties → lees verder.
De vorm van het hoornvlies
De vóórvlakken van het hoornvlies en de ooglens hebben een bepaalde ronding of vorm. De bolling van het hoornvlies is in het centrum steiler en aan de randen vlakker. Dit wordt een prolate vorm genoemd en zorgt voor een 'aspherisch optisch systeem'.
Deze vorm kan varieren van een ronde cirkel tot een ellips-ovale vorm. De 3 varianten zijn getekend in de figuur: een ronde vorm (cirkel), een rechtopstaande ovale vorm en een liggende ovale vorm. Een ronde vorm (cirkel) wordt "sferisch" genoemd. Een ovale vorm wordt "asferisch" genoemd. De vorm van een figuur wordt uitgedrukt in een Q-waarde. Een cirkel is perfect rond, de Q-waarde is dan 0. Bij een rechtopstaande ovale vorm is de Q-waarde positief, bij een liggende ovale vorm is de Q-waarde negatief.
Laten we nu uitgaan van een cirkel-vorm (sferisch, 2): als de lichtstralen op een cirkel vallen, worden de lichtstralen gebroken door het oppervlak. Maar de lichtstralen die loodrecht op het vlak vallen (blauwe lijnen), worden niet op dezelfde wijze gebroken als de lichtstralen die aan de randen van het oppervlak binnenkomen (rode lijnen).

Bij een cirkel-vorm vallen de lichtstralen, afkomstig van het centrum van het hoornvlies, precies op het netvlies. De lichtstralen, afkomstig van de randen van het hoornvlies, vallen vóór het netvlies omdat ze sterker gebroken worden. Doordat de verschillende lichtstralen niet allemaal op het netvlies terecht komen, ontstaat er geen perfect scherp beeld. Dit worden "sferische aberraties" genoemd. De persoon ziet geen perfecte ronde lichtbron (bijv. een autolamp) maar een onscherpere grotere lichtvlek. Sferische aberratie wordt gedefinieerd als een afbeeldingsfout van een lens t.g.v. zijn gekromde oppervlakte, waardoor de randstralen sterker gebroken worden dan de centrale lichtstralen.
Het oog heeft daarvoor een oplossing gevonden. Het hoornvlies is namelijk niet een perfecte ronde bal en is dus niet sferisch. Het hoornvlies heeft een asferisch oppervlak, dwz een ellips- of een ovale vorm met een negatieve Q-waarde. Dit betekent dat het centrum steiler is dan de randen (periferie) van het hoornvlies. Dit wordt "een prolate cornea" genoemd hetgeen de vorm van een normaal hoornvlies is. Door deze vorm worden de randstralen (rode lijn, tekening 1) zwakker gebogen dan bij een cirkelvorm (rode lijn, tekening 2). Het brandpunt van de rode lijnen gaat naar achteren (wordt minder sterk gebogen) en benadert het brandpunt van de blauwe lijnen. In deze situatie komen de centrale en de rand (perifere) lichtstralen dichterbij elkaar te liggen. In het ideale geval komen de centrale en randstralen tezamen in één brandpunt (zie 1). De Q-waarde, die hiervoor nodig is, is -0.52 (een perfect beeld). Er zijn dan dus geen sferische aberraties aanwezig.
De vorm van het normale hoornvlies is asferisch, maar ligt tussen de vormen 1 en 2 in. Het heeft een Q-waarde van -0.26. Dit betekent dat de centrale en de randlichtstralen wel dichtbij elkaar liggen maar niet perfect gefocust worden in één brandpunt. Er zijn dus wel sferische aberraties aanwezig, waardoor een onscherper beeld ontstaat, maar de aberraties zijn minder dan bij een cirkelvorm (2). Omdat er geen sferische aberraties aanwezig zijn bij -0.52 en het hoornvlies -0.26 heeft, heeft het hoornvlies een positieve sferische aberratie.
Er is dus een verschil tussen de ideale situatie (-0.52) en de werkelijke hoornvlies-Qwaarde van -0.26. Ook daar heeft het oog een oplossing voor gevonden. Om de lichtstralen perfect op het netvlies te krijgen, is een totale Q waarde van -0.52 nodig.
Het hoornvlies zorgt voor een negatieve Q-waarde van slechts -0.26 (waardoor sferische aberraties ontstaan). Behalve door het hoornvlies, worden lichtstralen ook afgebogen door de ooglens. De ooglens heeft ook een asferisch vorm met een negatieve Q-factor. De ooglens heeft negatieve sferische aberraties die de positieve sferische aberraties van het hoornvlies grotendeels compenseert. In dat geval versterken het hoornvlies en de ooglens elkaar waardoor de lichtstralen in één brandpunt bij elkaar komen. Er ontstaat een perfect beeld, ofwel de sferische aberraties zijn afwezig. Dit is theorie maar de praktijk kan een fractie anders zijn. Bij jonge mensen met een helder hoornvlies en een heldere ooglens, is het brekingssysteem vrij optimaal en treden sferische aberraties van het gehele oog nauwelijks op. Bij het ouder worden kan de (samenstelling van de)ooglens veranderen waardoor de accommodatie minder wordt. De Q-waarde kan veranderen en de negatieve sferische aberraties vermindert. Daarmee kunnen de totale sferische aberraties wijzigen.
De vorm van het hoornvlies kan ook een rechtopstaande ovaal zijn (tekening 3). Hierbij is het centrum vlakker dan de omgeving (periferie). In dat geval worden de randlichtstralen juist sterker gebroken dan bij een cirkelvorm (2). De randlichtstralen breken sterker dan de centrale lichtstralen waardoor de brandpunten juist verder uit elkaar komen te liggen (tov bij de cirkelvorm). Als een hoornvlies deze vorm heeft, spreken we van een "oblate cornea".
Bij ooglaseren, om scherp te zien zonder bril, wordt het hoornvlies veranderd van vorm. Bij een bijziend oog (min-glazen), waarbij de lichtstralen vóór het netvlies terechtkomen, wordt het hoornvlies afgevlakt. De Q-waarde gaat richting de plus (richting de rechtopstaande ovale vorm). Bij een verziend oog (plus-glazen), waarbij de lichtstralen achter het netvlies terechtkomen, wordt het hoornvlies steiler gemaakt (richting de liggende ovale vorm). De Q-waarde wordt hoger negatief. De sferische aberraties kunnen daarbij toenemen (de Q waarde van het hoornvlies komt verder van het getal -0.26 te liggen).
Samenvatting
| vorm | naam | voorbeeld | situatie of behandeling | sferische aberraties afbeeldingsfout | |
| Q= --... (negatief) | asferisch | ellips liggende ovaal | Q = - 2.0 | ernstige keratoconus PRK voor verziendheid (+5D) | ++ |
| Q = - 1.0 | milde keratoconus PRK voor verziendheid (+2D) | + | |||
| Q = - 0.52 | totaal: hoornvlies + ooglens | geen | |||
| Q = - 0.26 | het normale hoornvlies | +/- | |||
Q= 0 | sferisch | cirkel | + | ||
| Q= +... (positief) | asferisch | ellips, rechtopstaande ovaal | Q = +1.0 | hoornvliessneden PRK voor bijziendheid (-5D) | ++ |
| Q = +2.0 | hoornvliessneden PRK voor bijziendheid (-10D) | +++ |
Te hoge negatieve Q waarde komt voor bij een keratoconus. Hierbij ontstaat een uitpuilend hoornvlies in het centrum (steiler) waardoor de Q waarde bijvoorbeeld -1.0 tot -2.0 D wordt. Ook na ooglaseren van verziende ogen kan deze Q waarde ontstaan (het hoornvlies is dan te steil gemaakt met de laser).
Een positieve Q waarde komt voor bij te extreem ooglaseren van bijziende ogen (dwz het hoornvlies is te vlak gemaakt) of bij bepaalde hoornvliessnedes (Q is dan bijv + 1.0 tot +2.0 D).
Overige informatie hoornvlies
Uit onderzoek (2008) blijkt dat het hoornvlies in de loop van de tijd (tussen het 18e en 80e jr) iets dunner wordt. Deze leeftijdsafhandelijke verdunning bedraagt ongeveer 0.6 à 0.7 micrometer per jaar. De reden hiervoor is onbekend (mogelijk dat de volgende factoren een rol zouden kunnen spelen: leeftijd, oogdruppels [bijv glaucoommedicatie] of droogte van de traanfilm).
Conjunctiva (bindvlies, slijmvlies)
De bouw van de conjunctiva
De conjunctiva is de slijmvliesbekleding van a) de binnenzijde van de oogleden en b) van de buitenzijde van de oogbol (bulbus oculi). De ruimte tussen de bovenste en onderste oogleden en de oogbol heet de "conjunctivaalzak (fornix)". Deze fornix is de omslagplooi. Er is een bovenste omslagplooi (fornix superior) en een onderste omslagplooi (fornix inferior).

cb = conjunctiva bulbi
cp = conjunctiva palpebralis
fornix = omslagplooi (inferior: onderste plooi)
De conjunctiva aan de binnenzijde van de oogleden is rood vanwege de vele bloedvaten en wordt "conjunctiva palpebralis" genoemd. De conjunctiva op de oogbol ligt op het witte deel van het oog (de harde oogrok) en wordt "conjunctiva bulbi" genoemd. Aan de binnenzijde van de oogleden vormt de conjunctiva een overgangsplooi, de "conjunctivaalzak (fornix)" genoemd. Dit is de overgang van de "conjunctiva palpebralis" en "conjunctiva bulbi".
→ detail → 
h= hoornvlies (cornea)
i= iris (regenboogvlies)
f= fornix
T= tarsus (de bindweefselplaat van het ooglid)
*= conjunctiva palpebralis
witte pijl= conjunctiva bulbi
De functie van de conjunctiva
De conjunctiva beschermt het oog tegen invloeden van buitenaf. Het speelt een belangrijke rol bij een optimale bevochtiging van het oog. De conjunctiva heeft, in tegenstelling tot veel andere oogweefsels, een groot vermogen tot genezing. De operatiewonden in de conjunctiva genezen snel en zonder complicaties.
De traanfilm is een dun laagje vocht dat over het voorste deel van het oog ligt (hoornvlies en slijmvlies). Het is nodig om een optimale gezichtsscherpte te krijgen (een glad oppervlak waarin de lichtstralen optimaal worden gebroken). De traanfilm houdt het oog vochtig (smering) en beschermt het oog tegen infecties, buitenlucht, vuil etc. Bij elke knipperslag (na 20-30 seconden) wordt de traanfilm in een dun laagje gelijkmatig verdeeld over het oog. 
De traanfilm is samengesteld uit drie bestanddelen (percentage tussen haakjes):
- een buitenste (lipide/vet) laag (± 1.5%, 0.1 μm): deze olie-achtige laag (lipiden) wordt geproduceerd door kleine kliertjes in de oogleden (de Meibom kliertjes). Deze laag voorkómt een snelle verdamping van het traanvocht. De lidslag tijdens het knipperen is belangrijk bij vrijkomen van de lipiden uit de kliertjes. De dikte van de lipide-laag neemt toe bij krachtig (geforceerd) knipperen.
- een middelste (waterige) laag (95.5%, 7 μm): deze wordt geproduceerd door kleine kliertjes in het slijmvlies en door de traanklier. De traanklier speelt de belangrijkste rol bij de productie van deze waterlaag (95%), het overige deel is afkomstig van de accessoire kliertjes van Krause en Wolfgang. De waterlaag bestaat uit diverse componenten, zoals water, electrolyten, mucines, proteine (eiwit), groeifactoren en ontstekingscomponenten (cytokines). De functies van deze waterlaag zijn:
- het voorzien van zuurstof voor de buitenste hoornvlieslaag (epitheel)
- een antibacteriele functie (bepaalde proteïnen)
- het schoonspoelen van het oog van vuil, stof en bacteriën
- het glad maken van het oppervlak door het opvullen van onregelmatigheden van het hoornvlies waardoor een glad optisch oppervlak ontstaat (om de lichtstralen optimaal te breken)
- een binnenste (mucine) laag (3%, 0.2 μm): deze slijmachtige laag wordt m.n. geproduceerd door kleine kliertjes in het bindvlies (conjunctiva) van het oog (de slijmbekercellen of gobletcellen genoemd). Dit laagje zorgt ervoor dat de waterige laag kan hechten aan het oppervlak van het hoornvlies (epitheelcellen). Tevens dient het als bevochtiging van het oog.
De meest voorkomende aandoening van de traanfilm is een droog oog.
Deze folder is eigendom van www.oogartsen.nl, afkomstig van het Deventer ziekenhuis (Deventer), CWZ (Nijmegen), Catharina ziekenhuis (Eindhoven), Elisabeth ziekenhuis (Tilburg), HAGA ziekenhuis (Den Haag), Albert Schweitzer (Dordrecht) en Rijnstate (Arnhem), copyright. Voor de aandachtsgebieden van oogartsen, zie aandachtsgebieden (subspecialisaties).





