Complicaties en risicofactoren bij staaroperatie
Inhoudsopgave:- Inleiding
- Scheur in lenszakje (kapselscheur) en risicofactoren
- nauwe pupil, harde lens
- zwak lenszakje, verzwakte ophangbandjes (zonula)
- Achtergebleven lensresten (dropped nucleus)
- frequentie van een dropped nucleus
- oorzaken
- verkeerd geplaatste kunstlens (dropped kunstlens)
- behandeling dropped nucleus
- Vocht onder de gele vlek (macula oedeem, CME)
- het netvlies en de gele vlek (macula)
- wat is macula-oedeem
- hoe vaak komt het voor?
- behandeling
- Verzwakt hoornvlies (cornea-decompensatie)
- Trilling en verplaatsing van de kunstlens (subluxatie, dislocatie, decentratie)
- trilling van de kunstlens (pseudo-phakodonesis)
- verplaatsing van de kunstlens (decentratie of dislocatie)
- Endophthalmitis (inwendige oogontsteking)
- Kans op een netvliesloslating
Inleiding
In deze tekeningen ziet u de bouw van het oog (doorsnede).

Bij een staaroperatie wordt de ooglens verwijderd. Hierna wordt de kunstlens in het lenszakje van de oorspronkelijke lens geplaatst. De staaroperatie (incl. illustraties) wordt beschreven in een aparte folder over de staaroperatie. Hier ziet u de verschillende stappen van een staaroperatie: het verpulveren en verwijderen van de eigen ooglens, het plaatsen van een vouwbare kunstlens en de positie van de kunstlens in het lenszakje:

Scheur in lenszakje (kapselruptuur) en risicofactoren
Het lenszakje is erg dun, het heeft een dikte van ongeveer 5 micrometer (5 duizendste van een millimeter). Tjjdens de staaroperatie kan een scheur ontstaan in het lenskapsel. Hierdoor is er onvoldoende steun om de kunstlens in het zakje te plaatsen. Vaak kan de kunstlens dan op een andere plaats worden vastgezet, bijvoorbeeld in de sulcus (de ruimte tussen de iris en het voorste lenszakje) of aan de vóórzijde van de iris (Artisan lens).
Als het lenszakje is gescheurd, kan glasvocht naar voren komen. Het glasvocht moet verwijderd worden om de kunstlens te kunnen plaatsen en om het risico op complicaties van het netvlies te verkleinen. De oogarts zal dit verwijderen dmv een vitrectomie anterior (verwijderen van glasvocht via de voorzijde van het oog). Er bestaat een groter risico op een netvliesloslating en vocht onder de gele vlek (macula-oedeem) na de staaroperatie. Macula-oedeem wordt in deze folder besproken.
De kans dat het lenszakje tijdens een staaroperatie scheurt is klein, ongeveer bij 1-2% van de staaroperaties.
Een kapselscheur kan onverwachts optreden bij een staaroperatie. Het treedt eerder op bij technisch moeilijkere operaties. Dit is vaak vóór de operatie bekend en wordt dan ook met u besproken. Een verhoogd risico is aanwezig bij oa:
- een harde lens (rijpe staar). Er is meer energie nodig om de lens te verwijderen.
- een nauwe pupil. De toegang tot de ooglens is moeilijker bij een kleine pupilopening
links: een nauwe pupil met verklevingen tussen de lens en het regenboogvlies (iris)
rechts: de oogarts kan besluiten om de pupilopening te vergroten dmv irishaakjes om de lens beter in beeld te krijgen. In deze foto is tevens een schilfering van het lenszakje zichtbaar (pseudo-exfoliatie)

- een zwak lenszakje (lenskapsel). Het lenszakje is nodig om de kunstlens in te plaatsen. Een zwak lenszakje komt voor bij bijv. het pseudoexfoliatie syndroom (voor meer informatie, zie folder pseudo-exfoliatie syndroom). Hierbij is het lenszakje geschilverd.
links: pseudoexfoliatie syndroom
rechts: pseudoexfoliatie syndroom met kernstaar

- na een glasvocht-netvliesoperatie (vitrectomie). Tijdens de operatie 'rust' de ooglens normaliter op het glasvocht ('alsof de lens op een kussen ligt'). Na een doorgemaakte glasvochtoperatie is het glasvocht afwezig waardoor minder steun aanwezig is ('alsof de lens op een waterbed ligt'). Dit is technisch lastiger.
- verzwakte ophangbandjes van het lenszakje (lens-vezels of zonula-vezels genoemd). Deze zonulavezels kunnen al vóór de operatie verzwakt zijn of tijdens een operatie beschadigd raken. In deze tekening ziet u de bouw van het oog en een detail van de normale structuur van de zonula-vezels.
links: een overzicht (doorsnede van het oog)
rechts:een detailopname, het lenszakje zit vast met fijne draadjes of ophangbandjes, de zonula-vezels
detail→ 
Zonula-zwakte is geassocieerd met: pseudo-exfoliatie syndroom (zie hierboven), een trauma (ongeval), hoge bijziendheid, een doorgemaakte glasvocht-netvliesoperatie (vitrectomie) of pigmentdispersie syndroom .
Tevens komt het voor bij zeldzaam voorkomende aandoeningen (bijv. retinitis pigmentosa, bindweefselaandoeningen zoals syndroom van Marfan, homocystinurie, Ehler-Danlos, sclerodermie en Weil-Marchesani.
Bij zonula-zwakte kan de eigen ooglens vóór de staaroperatie op de juiste plaats zitten (gecentreerde lens) of al verplaatst zijn (gedecentreerde ooglens, lensdislocatie, subluxatio lentis genoemd).
Hieronder ziet u 2 voorbeelden van een verplaatste ooglens vóórdat de staaroperatie had plaatsgevonden bij het syndroom van Marfan:
subluxatie - een ondiepe voorste oogkamer (bijv. bij glaucoom). De voorste oogkamer (VOK) is de ruimte tussen het hoornvlies en de lens (zie tekening). Het is lastig om een lens te verwijderen als er weinig ruimte aanwezig is tussen het hoornvlies en de ooglens (ondiepe VOK genoemd).

- een troebel hoornvlies. Een troebel hoornvlies beperkt het zicht voor de oogarts. Zie voorbeeld

Achtergebleven lensresten (dropped nucleus)
In een klein aantal gevallen verloopt de staaroperatie niet helemaal naar wens. Eén van de complicaties is een dropped nucleus. Tijdens de staaroperatie kan het zakje (lenskapsel) waarin de lens zit, scheuren. Het glasvocht komt dan meestal naar voren en komt in de voorste oogkamer terecht. Behalve glasvochtverlies kunnen tijdens de staaroperatie ook de lens of restanten van de eigen ooglens naar achteren vallen en in de glasvochtruimte terecht komen. Deze lensresten kunnen tijdens de staaroperatie niet verwijderd worden. Een vervolgoperatie door een netvlieschirurg is dan vaak nodig. Het naar beneden vallen van brokken ooglens en het achterblijven van lensresten in de glasvochtruimte wordt een dropped nucleus genoemd. Deze achtergebleven lensresten kunnen leiden tot een ontstekingsreactie en een hoge oogdruk in het oog.
Een schematische tekening van een dropped nucleus:

Frequentie van een dropped nucleus
De kans dat het lenszakje tijdens een staaroperatie scheurt is klein, ongeveer bij 1-2% van de staaroperaties. De frequentie van achtergebleven lensresten is ongeveer 0,1% tot 0,2% (dus 1 tot 2 op de duizend patiënten) (in de literatuur worden percentages van tussen de 0.1% en 1.1% genoemd, mede afhankelijk van de ervaring van de operateur). Het is dus een zeldzame complicatie.
foto 1: lensresten zijn zichtbaar in de glasvochtruimte, achter de geplaatste kunstlens
foto 2: lensresten in de glasvochtruimte (het rode-oranje deel is het netvlies)
foto 3: een kunstlens in de glasvochtruimte

Verkeerd geplaatste kunstlens (dropped kunstlens of kunstlens dislocatie)
Bij een dropped nucleus valt (een deel van) de eigen ooglens in de glasvochtruimte. Het is ook mogelijk dat een kunstlens in het glasvocht valt. Dit wordt een dropped IOL genoemd (IOL: intra-oculaire lens). Een kunstlens kan tijdens de staaroperatie in het glasvocht vallen als het lenszakje scheurt. De kunstlens zit dan niet in het lenszakje en heeft dan geen steun.
Ook is het mogelijk dat een kunstlens ná een staaroperatie:
- verplaatst en scheef gaat zitten (kunstlens decentratie of dislocatie genoemd) → zie elders in deze folder
- in de glasvochtruimte valt (bijv. na een ongeval en een klap tegen het oog)
Zonula-zwakte kan ná de staaroperatie aanleiding geven tot een verplaatsing van de kunstlens, een kunstlensdislocatie of subluxatie genoemd. De kunstlens zit dan niet in het centrum van de pupilopening (zie einde van deze folder).
Oorzaken
De meest voorkomende oorzaken van een dropped nucleus of een dropped-IOL zijn:
- het scheuren van het lenszakje tijdens de operatie (meest voorkomende oorzaak).
- verzwakte ophangbandjes van het lenszakje (zonula-vezels genoemd) die al vóór de operatie verzwakt zijn of tijdens een operatie beschadigd raken. De oorzaken van zonula-zwakte zijn beschreven bij "kapselruptuur" (elders in deze folder)
Behandeling dropped nucleus
De behandeling is afhankelijk van de grootte van de lensresten in het oog. Hoe meer lensresten, hoe groter de kans op een onstekingsreactie en een hoge oogdruk is. Een hoge oogdruk kan leiden tot schade van de oogzenuw en het hoornvlies. Bij een troebel hoornvlies is een vervolgoperatie niet goed mogelijk.
- In minder ernstige gevallen kan volstaan worden met oogdruppels om de ontstekingsreactie en de verhoogde oogdruk tegen te gaan. Een glasvochtoperatie is niet altijd nodig in dit soort situaties.
- In ernstigere gevallen is de ontstekingsreactie groot en de oogdruk te hoog. Dit kan weer leiden tot beschadiging van het hoornvlies en de oogzenuw. De hoge oogdruk wordt dan behandeld met oogdruppels en/of tabletten. Een operatie is nodig om de lensresten te verwijderen. Deze operatie wordt een vitrectomie (glasvochtoperatie, PPV) genoemd.
Operatie (glasvochtoperatie)
Tijdstip van operatie
De operatie hoeft niet dezelfde dag te worden uitgevoerd. Vaak is het zelfs beter de operatie enkele dagen uit te stellen om het oog tot rust te laten komen. 
Een verhoogde oogdruk kan leiden tot een troebel hoornvlies waardoor een glasvochtoperatie niet mogelijk is. In dat geval zal eerst de oogdruk behandeld moeten worden.
De achtergebleven lensresten worden door een vitrectomie (glasvocht operatie, PPV) verwijderd. Bij een vitrectomie wordt eerst het glasvocht verwijderd, hierna worden de lensbrokken met een speciaal apparaat gefragmenteerd en opgezogen.Uitgebreide informatie over deze operatie wordt op de website www.oogartsen.nl in een aparte folder beschreven (zie folder vitrectomie).
Wanneer kunstlens plaatsen?
Ondanks dat de staaroperatie gecompliceerd is verlopen, kan de oogarts soms ten tijde van de staaroperatie toch een kunstlens implanteren. Maar het komt ook voor dat de oogarts bij de staaroperatie geen kunstlens heeft kunnen plaatsen. Bij de 2e operatie, de vitrectomie, kan dan meestal alsnog een kunstlens geïmplanteerd worden. Echter, in sommige gevallen is het niet goed mogelijk om een kunstlens te implanteren (bijv. als de pupil onvoldoende nauw wordt of als het hoornvlies te troebel wordt). In dat geval kan het nodig zijn om het plaatsen van de kunstlens uit te stellen. Dan is op een later tijdstip een derde operatie nodig. Doordat het lenszakje defect is, wordt een kunstlens:
a) geplaatst in de sulcus (dit is de ruimte tussen het voorste lenszakje en het regenboogvlies) of
b) bevestigd aan de vóórkant van het regenboogvlies (zie folder Artisan lens).
Een vitrectomie kent echter ook risico's, bijvoorbeeld het ontstaan van een netvliesloslating tijdens of na de operatie. Uit de literatuur blijkt dat de kans op een netvliesloslating ligt tussen de 4% en 36% (met een gemiddelde van ongeveer 8%). Een netvliesloslating vereist een heroperatie (zie folder netvliesloslating). Tijdens de vitrectomie wordt het netvlies zorgvuldig gecontroleerd op netvliesscheurtjes waardoor de kans op een netvliesloslating wordt gereduceerd.
Na de operatie kan de oogboldruk tijdelijk verhoogd zijn; dit kan meestal goed behandeld worden met oogdrukverlagende druppels. Ook kunnen er nog ontstekingsverschijnselen aanwezig zijn. U krijgt na de operatie druppels mee om de ontsteking te verminderen of te voorkomen (zoals bij een staaroperatie).
Ook bij deze operatie kan er een nabloeding of infectie optreden. Het hoornvlies kan troebel worden maar dit is meestal tijdelijk. In het uiterste geval , bij blijvende troebeling van het hoornvlies, kan later een (gedeeltelijke) hoornvliestransplantatie nodig zijn (zie folder hoornvliestransplantatie).
Als het netvlies voor de operatie geen afwijkingen had en er zich verder geen complicaties voordoen zal de uiteindelijke gezichtsscherpte heel redelijk kunnen worden. Het herstel kost enkele weken tot maanden en is niet te vergelijken met een standaard staaroperatie. Volgens de literatuur bereiken 44% tot 68% van de geopereerde patiënten een uiteindelijk gezichtsvermogen van 50% of meer.
Vocht onder de gele vlek (macula oedeem, CME, Irvine Gass)
Het netvlies en de gele vlek (macula)
Het netvlies (de retina) vormt de binnenbekleding van het oog (paarse lijn in onderstaande tekening rechts). De beelden worden geprojecteerd op het netvlies. Men ziet scherp met het middelste, centrale deel van het netvlies achterin het oog. Dit wordt de gele vlek of de macula genoemd (zie tekening rechts waarin letter E staat).

De foto hiernaast toont het normale netvlies van een gezond oog, bekeken vanaf de vóórzijde (zoals de oogarts dit ziet bij het oogonderzoek).
Hierin ziet u:
- de oogzenuw (de ronde bleke schijf, blinde vlek)
- de bloedvaten (die ontspringen uit de oogzenuw)
- de gele vlek (in het centrum).
In het centrum van het netvlies (midden-achter op het netvlies) bevindt zich de gele vlek (macula). Met dit gebied zien we scherp.
De macula is slechts enkele millimeters groot (5.5 mm) en vertoont normaliter een afvlakking (depressie, soort dal) van het binnenste netvliesoppervlak (zie foto hierna). Dit wordt de fovea genoemd.
foto: een doorsnede door de macula dmv een speciaal apparaat (OCT)
doorsnede centrum van netvlies
Wat is macula oedeem
Macula oedeem is een vochtophoping in de gele vlek of de macula. Deze vochtophoping ontstaat doordat de bloedvaatjes vocht lekken. De gele vlek is belangrijk voor het optimale scherpe zien. Bij macula oedeem zal het gezichtsvermogen dalen. Soms heeft men tevens last van een beeldvertekening, dwz de rechte lijnen zijn krom (bijv. de luxaflex, badkamertegels of deurposten zijn niet recht meer).
Macula oedeem kan met meerdere onderzoeken worden aangetoond: een oogonderzoek (funduscopie), een FAG en een OCT.
vocht onder de macula
Macula oedeem kan veroorzaakt worden door verschillende oogziekten of operaties, bijvoorbeeld na staaroperaties, bij diabetes (suikerziekte), bij inwendige ontstekingen, bij bloedvatafsluitingen en bij overige oogziekten. Soms ontstaat er een vochtophoping in het netvlies (retina) korte of lange tijd na een staaroperatie kan voordoen. Dit vocht zit in de gele vlek (macula) en wordt "cystoid macula oedeem of CME" genoemd.
Hoe vaak komt het voor
Als een kunstlens is geïmplanteerd, spreekt men van "pseudofakie". Vochtophoping onder de gele vlek (macula) wordt cystoid macula-oedeem genoemd (CME). Vochtophoping na een staaroperatie wordt dan ook wel "pseudofaak CME" genoemd (Irvine Gass). Pseudofake CME is vaak aanwezig na een staaroperatie en zichtbaar bij contrastonderzoek maar geeft vaak geen klachten (dit komt in 20-30% van de patiënten voor). Echter, klinisch belangrijke CME, dwz dat het gezichtsvermogen ≤ 50% is en dus wel klachten geeft komt veel minder vaak voor (bij 0 - 13% van de patiënten).
Hoe CME onstaat is niet geheel duidelijk maar meerdere factoren lijken een rol te spelen (zoals glasvochttractie, instabiliteit van de bloedvaten, een relatief te lage oogdruk, ontsteking). De onstekingsfactor speelt de belangrijkste rol. Ontstekingsfactoren (prostaglandine, cytokine ed, VEGF) veroorzaken na de operatie een onderbreking in de bloed-retina barrière waardoor de doorgankelijkheid van de bloedvaten (permeabiliteit) toeneemt (dwz bloedvaten worden meer poreus). Hierdoor treedt vocht uit de bloedvaatjes en ontstaat er lekkage.
Behandeling
Bij de meeste patiënten lost het CME spontaan op en herstelt het gezichtsvermogen grotendeels of volledig (bij 50-75% van de patiënten treedt een verbetering op binnen 6 mnd). Soms wordt behandeld met speciale oogdruppels of medicijnen (bijv. Acular, Naclof, Nevanac, diamox). In een enkel geval lukt het niet om het vocht helemaal te verwijderen. Het zicht blijft dan matig. In dat geval kan een injectie met medicijnen in het oog (in de glasvochtruimte) soms overwogen worden (zie folders elders op site).
Het CME kan optreden na een ongecompliceerde operatie, maar het treedt vaker op als er ook complicaties zijn opgetreden. Bijvoorbeeld een scheur in het lenszakje waardoor glasvocht van achteren (glasvochtruimte) naar voren (voorste oogkamer) toe gaat. In dat geval kunnen er trekkrachten van het glasvocht aan macula optreden. In deze situatie kan een glasvochtoperatie (vitrectomie) overwogen worden. Hierbij wordt het glasvocht verwijderd en worden de trekkrachten opgeheven. Eventueel worden medicijnen in het oog tijdens de glasvochtoperatie achtergelaten. Hieronder ziet 2 OCT-scans (doorsnede van het netvlies) van dezelfde patiënt: op de eerste scan is macula-oedeem zichtbaar na een gecompliceerde staaroperatie; de tweede scan is gemaakt 1 maand ná de glasvochtoperatie waarbij het macula-oedeem verdwenen is.
1e scan: macula-oedeem na een gecompliceerde staaroperatie met glasvochtverlies
2e scan: netvlies ná een glasvochtoperatie. De structuur van het netvlies is grotendeels hersteld na een vitrectomie met achterlaten van kenacort (medicijn)
macula-oedeem na de staaroperatie
1 maand na een glasvochtoperatie
Verzwakt hoornvlies (cornea decompensatie)
Het hoornvlies, de cornea genoemd, is het glasheldere voorste deel van het oog, waardoor het licht het oog binnenkomt. Het is als het ware het venster van het oog. Het hoornvlies ligt vóór het gekleurde deel van het oog, het regenboogvlies (iris). Voor uitgebreide informatie over de bouw en functie van het hoornvlies, zie folder hoornvlies op www.oogartsen.nl.

Het hoornvlies heeft een dikte van ongeveer een 0,5 mm en is opgebouwd uit 5 lagen. Het binnenste laagje wordt het endotheel genoemd. Het zorgt ervoor dat het hoornvlies helder en transparant blijft.
Het endotheel vormt de achterkant van het hoornvlies en is 1 cellaag dik.
Normaliter komt er continu water in het hoornvlies terecht vanuit de voorste oogkamer (deze ruimte ligt tussen de lens en het hoornvlies). Hierdoor zal het hoornvlies zwellen. Echter, het endotheel bevat allemaal kleine waterpompjes die juist het water weer uit het hoornvlies pompen. Dit proces, invoer en afvoer van vocht in het hoornvlies, is in evenwicht, waardoor het hoornvlies dun en transparant blijft. Indien het endotheellaagje niet goed functioneert, ontstaat een dik en troebel hoornvlies.
Verlies van endotheelcellen kan worden veroorzaakt door:
- leeftijd: de endotheelcellen nemen in de loop van het leven geleidelijk aan af. Zij kunnen zich, bijv. na schade, niet of nauwelijks delen of vermeerderen.
- ongeval / trauma.
- na operaties: schade kan optreden na een inwendige oogoperatie, zoals na een staaroperatie of na implantatie van een kunstlens om de brilsterkte te compenseren (zien zonder bril).
- een zwak hoornvlies (Fuchse endotheliale dystrofie).
Bij een staaroperatie wordt instrumentarium in het oog gebracht en wordt de lens verwijderd. Het endotheellaagje wordt tijdens de operatie beschermd d.m.v. een speciale stroperige vloeistof (visco-elasticum genoemd). Tijdens de operatie kan het endotheellaagje beschadigd worden door bijvoorbeeld:
- het instrumentarium
- de energie die nodig is om de lens te verpulveren en op te zuigen. Hoe harder de lens is, des te meer energie nodig is om de lens te verwijderen
- de lensbrokjes
- de kunstlens-implantatie
- een gecompliceerde staaroperatie
Bij elke staaroperatie neemt het aantal endotheelcellen af, ook indien de operatie ongecompliceerd is verlopen. Indien het aantal endotheelcellen een kritische ondergrens bereikt, wordt de pompwerking te gering. Door de zwakkere pompfunctie stroomt er meer vocht in het hoornvlies dan dat eruit gepompt wordt.
Hierdoor wordt het hoornvlies dikker, troebel en minder doorzichtig. Dit wordt cornea-decompensatie genoemd. Dit leidt dan tot een vermindering van de gezichtsscherpte.
foto: een troebel hoornvlies na een staaroperatie
Het hoornvlies kan vóór de operatie al zwak zijn (zonder klachten), bijvoorbeeld bij een Fuchse endotheel dystrofie. Na de operatie kan het hoornvlies dan dik worden door een verder verslechtering van het endotheel. Aangezien het aantal endotheelcellen in de loop van de leeftijd afneemt, kan een helder hoornvlies direct na de operatie in de loop der tijd, soms jaren nadien, alsnog troebel worden.
Indien het hoornvlies gedecompenseerd en troebel is, kan een hoornvliestransplantatie tot de mogelijkheden behoren.
Trilling en verplaatsing van Kunstlens ná de staaroperatie
(subluxatie, dislocatie, decentratie)
Bij de staaroperatie wordt de eigen troebele ooglens verwijderd en vervangen door een kunstlens (ook wel IOL of intra-oculaire lens genoemd). De kunstlens wordt geplaatst in het oorspronkelijke lenszakje waardoor het goed in het centrum van de pupilopening zit. De kunstlens is dan "gecentreerd". Het lenszakje, met daarin de kunstlens, is opgehangen d.m.v. een fijn netwerk van vezeltjes (zonula vezels genoemd).
→ detail zonulavezels 
Een kunstlens zit vrijwel altijd goed vast en goed in het centrum gepositioneerd.
Op deze foto's ziet u een kunstlens die goed in het lenszakje en in het centrum van de pupilopening zit:

Soms zit de kunstlens echter enigszins los of kan deze zelfs van plaats veranderen. Dit wordt hierna besproken
Trilling van de kunstlens (pseudo-phakodonesis)
Na de operatie kan de kunstlens enigszins trillen. Dit komt omdat de eigen ooglens dikker is dan de kunstlens. Het lenszakje is dus relatief te ruim voor de platte kunstlens. De kunstlens zit ook nog los in het lenszakje. In de herstelperiode gaat de kunstlens zich vastzetten en gaat het lenszakje vergroeien met de kunstlens. Hierdoor verdwijnt de trilling vaak. Deze situatie komt regelmatig voor maar geneest meestal vanzelf.
In enkele gevallen blijft de trilling bestaan. Dit wordt pseudo-phakodonesis genoemd (pseudo = pseudofakie of kunstlens; phakodonesis betekent een trilling van de lens). Pseudo-phakodonesis wordt aangetroffen bij een kunstlens die in een intakt lenszakje zit. Uit een onderzoek met een periode van 10 jaar (follow-up) blijkt dat een matige of uitgesproken pseudo-phakodonesis bij 2% van de patiënten voorkwam (minimale phacodonesis kwam vaker voor, bij 12% van de patiënten) (Ophthalmology 2009; 2315). Het wordt veroorzaakt door zwakke zonula-vezels (bijv. door veroudering of na een ongeval).
Verplaatsing van de kunstlens (decentratie, dislocatie, subluxatie)
Zonula-zwakte kan ná de staaroperatie aanleiding geven tot een verplaatsing van de kunstlens, een kunstlensdislocatie of subluxatie genoemd. De kunstlens zit dan niet in het centrum van de pupilopening. Dit kan al vroeg na de operatie ontstaan of zichtbaar worden (bijv. door een asymmetrische plaatsing of fixatie van de kunstlens in het lenszakje).
Ná de operatie kan de kunstlens verplaatst zijn (dislocatie of subluxatie genoemd), dat wil zeggen dat de kunstlens niet precies in het midden van de pupilopening zit. Dit wordt "decentratie" genoemd. De kunstlens-decentratie kan snel na de operatie (vaak binnen 1-2 weken) ontstaan of een tijd daarna (meestal pas na jaren).
Vroege IOL-dislocatie is meestal binnen 1-2 weken na de staaroperatie zichtbaar. In dat geval wordt de IOL onvoldoende gesteund door het lenszakje of door de ophangbandjes (zonula). Dit kan worden veroorzaakt door:
- een asymmetrische plaatsing of fixatie van de kunstlens in het lenszakje tijdens de staaroperatie.
- een beschadiging of een scheur van de zonulavezels of het lenskapsel (lenszakje) tijdens de staaroperatie (zie onderdeel van deze folder "kapselscheur en achtergebleven lensresten").
Late IOL-dislocatie treedt i.h.a. in de loop der tijd op, meestal pas na jaren (en per definitie later dan 3 maanden). IOL-dislocatie is geassocieerd met:
- een ongeval (trauma)
- bepaalde kunstlenzen (met name de oudere generatie kunstlenzen)
- een toenemende zwakte van de zonula-vezels of ophangbandjes van het lenszakje. Dit wordt ook wel progressieve zonula dehiscentie genoemd (verzwakking en losraken van de ophangbandjes van het lenszakje). Dit ontstaat door het samentrekken van het lenszakje (kapselcontractie) vele jaren na de staaroperatie. Als de zonulavezels verzwakt raken, kan het lenszakje met daarin de kunstlens zich verplaatsen ofwel scheef gaan zitten.
De verplaatste lens zit meestal in een intakt lenszakje. Het risico op het kapselcontractie-syndroom en zonulazwakte treedt vaker op:
- bij een tevoren aanwezig verzwakt lenszakje (bijv. pseudo-exfoliatie syndroom)
- bij hoge bijziendheid
- op oudere leeftijd
- bij een doorgemaakte glasvocht-netvliesoperatie (vitrectomie)
- bij zeldzaam voorkomende aandoeningen (bijv. retinitis pigmentosa, myotonica en dystrofiebindweefselaandoeningen zoals syndroom van Marfan, homocystinurie, Ehler-Danlos, sclerodermie en Weil-Marchesani
Behandeling kunstlens dislocatie en decentratie
Een lensdislocatie kan aanleiding geven tot klachten, zoals verminderd zien of dubbelbeelden (als men met het aangedane oog kijkt). Bij klachten zal de kunstlens worden teruggeplaatst (repositie) of worden verwijderd en zo mogelijk worden vervangen door een andere kunstlens (IOL exchange). Uit onderzoek blijkt dat dit bij ongeveer 0.3 tot 1% van de patiënten voorkomt (dit is afhankelijk van de vervolgperiode, de follow-up). De tijd tussen de staaroperatie en de IOL-exchange (heroperatie) bedraagt ongeveer 5 - 6 jaar (gemiddeld na 3 jaar).
(referentie: AJO 2005; 688 en Ophthalmology 2009; 2315).
Endophthalmitis (inwendige oogontsteking)
Vóór de staaroperatie wordt de huid, oogleden en oog gedesinfecteerd met jodium. U krijgt na een staaroperatie oogdruppels voorgeschreven om de kans op een ontsteking te verminderen (bijv. Tobradex of Dexamytrex). Echter, ondanks deze voorzorgsmaatregelen kan er toch alsnog een ontsteking ontstaan in het oog. Vanaf twee dagen tot twee weken na de operatie kan deze ontsteking zichtbaar worden. Dit wordt meestal veroorzaakt door bacteriën en wordt dan een infectie genoemd. Dit wordt een endophthalmitis genoemd. Het is meestal een ernstige situatie.
U merkt dit doordat het zicht plotseling achteruit gaat, al of niet gepaard gaande met oogpijn. Het gehele inwendige deel van het oog raakt ontstoken. Bij onderzoek wordt een rood oog gezien met ontstekingsweefsel in de voorste oogkamer (de ruimte tussen de iris en het hoornvlies):

Gelukkig treedt deze ernstige complicatie zelden op, in ongeveer 1 op de 1.000 operaties. Een endophthalmitis kan ontstaan na elke ingreep in het oog, bijv. bij een staaroperatie, glasvochtoperatie en een glaucoomoperatie.
Behandeling
De behandeling bestaat uit het toedienen van speciale oogdruppels en het injecteren van antibiotica in de glasvochtruimte. Bij een ernstige ontsteking kan een glasvochtoperatie (vitrectomie) zinvol zijn om het ontstoken glasvocht te verwijderen. Tijdens de glasvochtoperatie worden ook medijnen toegediend om de infectie te onderdrukken en te genezen.
De prognose van een endophthalmitis is meestal niet goed, het kan leiden tot blijvende schade en een laag gezichtsvermogen.
Kans op een netvliesloslating
Patiënten die een staaroperatie hebben ondergaan, hebben een verhoogd risico op het krijgen van een netvliesloslating gedurende het leven. In folders elders op de website wordt informatie gegeven over de volgende gerelateerde oogziekten of operaties:
- folder bijziendheid (myopie)
- folder netvliesloslating
- folder staaroperaties
Algemeen (risico op een netvliesloslating in de normale bevolking)
Een netvliesloslating, ablatio retinae genoemd, is een oogziekte waarbij vocht onder het netvlies is gekomen.
- In de normale bevolking is de jaarlijkse kans (incidentie) op een netvliesloslating ongeveer 1 : 8.500 per jaar per oog (dus 1 op de 8.500 ogen krijgt per jaar een netvliesloslating).
- Bij myopie (bijziendheid) is de kans op een netvliesloslating 10 x hoger (1: 850). Hoe hoger de myopie (of hoe langer het oog), des te groter het risico.
- Bij (hoog) myopen is de jaarlijkse kans op een netvliesloslating ongeveer 1-6%.
Het totale (cumulatieve) risico op een netvliesloslating is ongeveer 1 tot 8% (bij de normale bevolking zonder brilsterkte: 0.2%), afhankelijk van de mate van de myopie en van de leeftijd. - Het percentage patiënten dat een dubbelzijdige netvliesloslating (bilateraal) krijgt gedurende het leven bedraagt ongeveer 11–13%. Bij 70% van de dubbelzijdige netvliesloslatingen (ofwel het 2e oog) treedt dit op < 5 jr na het 1e oog.
| staaroperatie | het risico per oog | ||
algemene bevolking | nee | incidentie: cumulatief risico: 0.2% | |
| ja | incidentie: cumulatief risico: | 1 : 220 bij leeftijd < 50 jr | |
| myopie | nee | cumulatief risico: 1:48 (2.1%) | variatie 1-8% |
| ja | cumulatief risico: gemiddeld ± 3% | variatie 1-8% |
Risico op een netvliesloslating na een ongecompliceerde staaroperatie
- Na een staaroperatie is het risico op een netvliesloslating ongeveer 10 x verhoogd (ongeveer 1 : 850 ogen). Dit is mede afhankelijk van de eventuele extra risicofactoren zoals myopie en leeftijd. Door de staaroperatie verandert de glasvochtruimte en ontstaat eerder een loslating van de ooggelei (achterste glasvochtloslating, PVD). Deze glasvochtloslating kan leiden tot een netvliesloslating.
- De bijziendheid (myopie) geeft een extra verhoogd risico, verziendheid (hypermetropie) niet.
- Het risico op een netvliesloslating na een staaroperatie is afhankelijk van diverse factoren:
- leeftijd: een hoger risico bij jongere leeftijd (het glasvocht zit dan nog vast aan het netvlies. Door de staaroperatie en de toenemende leeftijd is de kans groter dat het glasvocht loskomt van het netvlies. Deze achterste glasvochtloslating geeft een verhoogd risico op een netvliesloslating.
- geslacht: mannen hebben een hoger risico dan vrouwen
- de lengte van het oog (bijziendheid of myopie). Bij myopie (bijziendheid) is de lengte van het oog langer dan normaal. Hoe hoger de myopie des te groter het risico.
- na een gecompliceerde staaroperatie is het risico verhoogd (scheur lenszakje)
- bij zwakke ophangbandjes van de lens (zonula)
- mannen
- indien het andere oog een netvliesloslating heeft gehad
- Het risico op een netvliesloslating is het hoogst in de eerste jaren na de staaroperatie (meestal treedt dit op < 4 jaar) maar kan zelfs binnen 20 jaar nog optreden.
- Bij de normale bevolking is het jaarlijkse risico op een netvliesloslating na een staaroperatie ongeveer een factor 10 groter (1 : 850). In de literatuur worden percentages genoemd die varieren van 0.32% tot 1.8% (totale risico). Dit percentage is afhankelijk van diverse factoren, zoals de mate van bijziendheid en de onderzoeksduur of follow up (het totale cumulatieve risico kan bijv. oplopen tot 1.8% na 20 jaar).
- Bij (hoog) myopen is het risico op een netvliesloslating ongeveer 3-5 x groter dan in de geopereerde, algehele bevolking. De incidentie bij hoge myopie na een staaroperatie bedraagt ongeveer 2% bij hoge myopie (variatie van 1 tot 8%; dit is mede afhankelijk van de definitie van myopie, de follow-up periode, de chirurgische technieken en de in-exclusie criteria per studie).
Deze folder is afkomstig van www.oogartsen.nl (Deventer ziekenhuis); een samenwerkingsverband tussen het Deventer ziekenhuis (Deventer), CWZ (Nijmegen), Catharina ziekenhuis (Eindhoven), Elisabeth ziekenhuis (Tilburg) en Maxima Med. Centrum (Veldhoven), copyright.
Voor de aandachtsgebieden van oogartsen, zie aandachtsgebieden (subspecialisaties).
Update: 15 mei 2010



