bijlage: kinderoogheelkunde
Inhoudsopgave- het vóórkomen voor scheelzien bij kinderen < 6 jr
Risicofactoren voor scheelzien bij kinderen
Dit is een bijlage van de folders over scheelzien en refractie-afwijkingen (brilsterkte).
Er is een groot bevolkingsonderzoek verricht in Amerika bij kinderen tussen de 6 mnd en 6 jr naar de risicofactoren voor het ontstaan van scheelzien (Ophthalmology 2012, 9970 kinderen). Het getal tussen haakjes geeft het verhoogde risico weer:
De risicofactoren voor een esotropie (ogen staan naar binnen) zijn als volgt:
esotropie
- Refractie- of brilsterkteafwijking (SE): kinderen met een hoge verziendheid (hypermetropie) hebben een hoger risico op scheelzien.
- kinderen met een brilsterkte tussen de +2 en +3 D hebben een 6x hoger risico
- kinderen met een brilsterkte tussen de +3 en +4 D hebben een 23x hoger risico
- kinderen met een brilsterkte tussen de +4 en +5 D hebben een 60x hoger risico
- kinderen met een brilsterkte van ≥ 5 D hebben een 122x hoger risico
- esotropie kwam voor bij 1.5% van de kinderen met een brilsterkte tussen de +2 en +3 D, bij 6% van de kinderen met +3 en +4 D, bij 13% van de kinderen met +4 en +5 D en bij 24% van de kinderen met een brilsterkte van ≥ 5 D.
- met name als de verziende kinderen gaan accommoderen (het inzoemend vermogen van de ooglens bij dichtbij kijken) bij het ouder worden, neemt het risico op scheelzien toe (vandaar dat dit de 'refractieve accommodatieve esotropie wordt genoemd).
- Een verschil in brilsterkte tussen beide ogen (anisometropie): risico is 2x hoger bij een sterkteverschil van ≥ 1 D.
brilsterkte (SE) bij
9970 kinderenhoe vaak komt
deze brilsterkte
voor bij kinderen
tussen de 0.5-6 jrhoe vaak komt
in deze groep
een esotropie
voor
[met het risico]hoe vaak komt
in deze groep
een exotropie
voor≥ -1 D (bijziendheid) 4.7% 0.8% [2.5x] 3.2% -1 D en < 0 D (bijziendheid) 11.9% 0.5% 1.4% 0 D en < +1 D 34.3% 0.2% [referentie] 1.2% +1 D en < +2 D 31.4% 0.5% [2x] 1.1% +2 D en < +3 D 10.8% 1.5% [6x] 0.5% +3 D en < +4 D 4.1% 5.7% [23x] 1.1% +4 D en < +5 D
1.5% 13.1% [60x] 0.8% ≥ +5 D 1.2% 23.8% [122x] 2.0%
- De leeftijd van het kind. Kinderen in de leeftijd van 4-6 jr hebben een 8-9x hoger risico dan kinderen < 1 jr. Scheelzien (en esotropie) komt weinig voor in het eerste levensjaar.
- Vroeggeboorte < 33 wk (risico 4.4x hoger)
- Roken tijdens de zwangerschap (risico 2x hoger)
De risicofactoren voor een exotropie (ogen staan naar buiten) zijn als volgt:
exotropie
- Vroeggeboorte < 33 wk (risico 2.5x hoger)
- Roken tijdens de zwangerschap (risico 2x hoger)
- Scheelzien en exotropie voorkomend in de familie
- Geslacht (meisjes 1.6x hoger risico dan jongens)
- Refractie- of brilsterkte afwijking
- astigmatisme (cylinder afwijking): bij een cylinder van 1.50-2.50 D was het risico 2.5x hoger, bij een cylinder van ≥ 2.50 D was het risico 6x hoger
- verschil in astigmatisme tussen beide ogen (anisoastigmatisme): 2.5x hoger risico bij een verschil van ≥ 0.5 D.
Een aantal risicofactoren is corrigeerbaar (dmv een brilcorrectie) waardoor scheelzien (en een lui oog) te vermijderen is. Screening is derhalve belangrijk.
Deze folder is eigendom van www.oogartsen.nl, afkomstig van het Deventer ziekenhuis (Deventer), CWZ (Nijmegen), Catharina ziekenhuis (Eindhoven), Elisabeth ziekenhuis (Tilburg), HAGA ziekenhuis (Den Haag), Albert Schweitzer (Dordrecht) en Rijnstate (Arnhem), copyright. Voor de aandachtsgebieden van oogartsen, zie aandachtsgebieden (subspecialisaties).





