Revalidatie slechtzienden

Revalidatie slechtzienden

Inhoudsopgave:

  1. Definitie slechtziendheid, maatschappelijke blindheid en blindheid
  2. Verwijzing voor hulpmiddelen
  3. Zijn patiënten tevreden met de hulpmiddelen?
  4. Aanbevelingen (afkomstig uit richtlijnen Beroepsgroep NOG)
  5. Braille

1. Definitie slechtziendheid, maatschappelijke blindheid en blindheid
Er bestaan meerdere definities voor blindheid en slechtziendheid. De ICF (International classification of Functioning) omvat verschijnselen van het menselijk functioneren in 3 classificaties: a) functies, b) anatomische eigenschappen en c) activiteiten en participatie op belangrijke levensgebieden. De classificaties omschrijven de visuele beperking wat betreft visus (gezichtsvermogen) en gezichtsveld. Ook stoornissen in o.a. het contrast zien en de donkeradaptatie hebben grote invloed op de mate van visuele beperkingen. Deze factoren hebben nog geen plaats in de definities van visuele beperkingen. Naast oogheelkundige factoren hangt de visuele beperking van een individu en de daaruit voortkomende hulpvraag ook af van zijn plaats in de maatschappij (beroep, woonomgeving, leefsituatie etc)

a) Slechtziendheid:
– visus of gezichtsvermogen (Snellen) < 0.3 (minder dan 30%) of
– een gezichtsveld kleiner dan 30 graden (WHO-ICD-10)

  kokerzien

b) Zeer slechtziendheid:
visus (gezichtsvermogen) <0.1 (minder dan 10%)

c) Maatschappelijke blindheid:
-visus (gezichtsvermogen) van beide ogen tezamen, met optimale correctie bepaald, 0.05 (5%) of lager, en/of
-gezichtsveld kleiner dan 10 graden (definitie gezondheidsplein)

d) Blindheid:
-visus of gezichtsvermogen  (Snellen) < 0.05 (minder dan 5%) of
-gezichtsveld kleiner dan 10 graden (WHO-ICD-10)

2. Verwijzing voor hulpmiddelen
Onder ouderen in de geïndustrialiseerde landen is diabetische retinopathie een belangrijke oorzaak van slechtziendheid en blindheid en onder volwassenen van ‘werkende leeftijd’ is het zelfs de belangrijkste oorzaak.
Wanneer de beperkingen kunnen worden verminderd met visuele hulpmiddelen alleen, variërend van een simpel vergrootglas tot geavanceerde computerprogrammatuur, is een verwijzing naar een optometrist op zijn plaats. In het Oogcentrum Deventer gebeurt dit op afspraak op het “low vision spreekuur”. Het is met name geschikt voor patiënten die nog een gezichtsvermogen hebben van 20-50%. Een uitgebreide folder vindt u op de website www.oogartsen.nl bij hulpmiddelen (low vision).


Het is ook mogelijk in sommige  gevallen een kunstlens met een vergroting in het oog te plaatsen, zie folder elders op de website, SML lens

Revalidatie instellingen
In Nederland zijn voor volwassenen met een visuele beperking, zowel met een oogheelkundige als hersengerelateerde oorzaak, twee grote organisaties voor revalidatie: Bartiméus en Koninklijke Visio. Beide organisaties werken landelijk en bieden begeleiding, training, advies en revalidatie. Bartiméus biedt daarnaast bijzondere diagnostiek voor heel complexe oogaandoeningen én oogheelkundige diagnostiek en begeleiding bij kinderen, volwassenen met een verstandelijke beperking en moeilijk leesbaar gedrag. Wanneer een patiënt hulpvragen heeft en gebaat is bij training of begeleiding, of indien het gezichtsvermogen minder is dan 10%, kan worden verwezen naar Bartiméus of Koninklijke Visio.

Samengevat:
Er wordt doorverwezen naar een gespecialiseerde optometrist (low vision spreekuur in het Deventer ziekenhuis) of een regionaal revalidatie instelling voor blinden en slechtzienden (bijv. Bartimeus) bij:
– een hulpvraag
– een visus of gezichtsscherpte van 0.3 (30%) of minder
– een leesvisus van 0.25 (25%) of minder of
– een gezichtsvelddiameter van 30°
– Indien bij een duidelijke hulpvraag onvoldoende mogelijkheden bestaan in de reguliere oogheelkundige praktijk, kan ook bij een visus tussen de 0.3 (30%) en 0.5 (50%), bij onvoldoende leesvermogen met een leesadditie van +4, bij een gezichtsveldbeperking anders dan concentrisch van 30° of minder en bij ernstige hinder van licht.

3. Zijn patiënten tevreden met de hulpmiddelen?
Uit onderzoek blijkt dat ongeveer 80% van de slechtziendenden de hulpmiddelen blijvend en naar tevredenheid gebruikt. Het blijkt daarnaast dat over het algemeen de (visus-specifieke) kwaliteit van leven verbetert na hulpmiddelenverstrekking of verwijzing naar een vorm van revalidatiecentrum.

4. Aanbevelingen (afkomstig uit richtlijnen Beroepsgroep NOG)

  • Training in het gebruik van hulpmiddelen, en dan voornamelijk telescoopbrillen, hebben een gunstig effect op de leessnelheid, het autorijden en activiteiten op het gebied van orientatie en mobiliteit.
  • Patiënten die voldoen aan de criteria visus of gezichtsvermogen <0.5 (50%) en hulpvraag, dienen door de oogarts te worden doorgestuurd naar een vorm van visuele revalidatie, mits de patiënt voldoende gemotiveerd is.
  • Patiënten die onvoldoende gemotiveerd zijn (of lijken te zijn), dienen wel geïnformeerd te worden over de mogelijkheden tot revalidatie zodat ze zich daar in een later stadium alsnog toe kunnen wenden.
  • Patiënten waarvan op voorhand duidelijk is dat ze verminderde cognitieve vermogens en/of verminderde motoriek noodzakelijk voor het gebruik van hulpmiddel hebben, dienen naar een regionale revalidatie instelling te worden verwezen.
  • Patiënten met complexe hulpvragen (bijv. functioneren in huis, koken) of waarbij de verwerking van de beperking problematisch verloopt dienen naar een regionaal centrum te worden verwezen.
  • Patiënten niet behorende bij de groepen zoals hierboven beschreven, kunnen naar een gespecialiseerde optometrist worden verwezen.

5. Braille
Voor jonge blinde patiënten is het Braille-lezen van belang. Het alfabet ziet er als volgt uit

Dit is een folder van www.oogartsen.nl, copyright. De teksten zijn grotendeels afkomstig van de beroepsgroep NOG 2005 (www.oogheelkunde.org).

Scroll naar top