Algemeen overzicht: Brilsterkte / refractie-afwijkingen / brekingsafwijkingen

Algemeen overzicht: Brilsterkte / refractie-afwijkingen / brekingsafwijkingen

Inhoudsopgave:

  1. Het normale oog (zonder brekingsafwijking)
  2. Wat zijn refractie-afwijkingen (brekingsafwijkingen waarvoor bril nodig is)?
  3. Vormen van refractie-afwijkingen
  4. Klinische beeld
  5. Prevalentie van refractie-afwijkingen (hoe vaak komt het voor)
  6. Veranderingen van de refractie (brilsterkte) in de loop van het leven
    • emmetropisatie (kinderleeftijd)
    • op oudere leeftijd
    • verandering van de refractie in de loop der jaren
    • verandering van de refractie bij dichtbij- en veraf-activiteiten
    • groei van het lichaam en refractie-afwijking:
  7. Oorzaken
  8. Correcties van refractie-afwijkingen
  9. Overige informatie: de mate (rangorde) van refractie-afwijkingen (brekingsafwijkingen)
  10. Animatie film

1. Het normale oog (zonder brekingsafwijking)
Lichtstralen vallen het oog binnen via het hoornvlies (het voorste, doorzichtige deel van het oog) en de pupil. Vervolgens komen ze terecht bij de lens. De lens bevindt zich achter de pupil en heeft een platte bolvorm.
     

Om scherp te zien is het nodig dat lichtstralen uit de buitenwereld precies op het netvlies samenvallen. Bij het normale oog zorgt de breking (refractie) van het hoornvlies en de lens in het oog ervoor, dat bij zien in de verte een scherp beeld op het netvlies ontstaat. De beelden worden vervolgens, via de oogzenuw, doorgegeven aan de hersenen. Hier worden de beelden van beide ogen gecombineerd en krijgen we de ervaring die we “zien” noemen. Het oog is een optisch systeem waarin de convergerende lens na lichtbreking een beeld projecteert op het netvlies. Doordat de lens van vorm en dikte kan veranderen, veranderen de brekende eigenschappen van het oog, zodat men in staat is om op verschillende afstanden scherp te zien, hetgeen accommodatie wordt genoemd.

Het oog is een optisch systeem waarin de convergerende lens na lichtbreking een beeld projecteert op het netvlies. Doordat de lens van vorm en dikte kan veranderen, veranderen de brekende eigenschappen van het oog, zodat men in staat is om op verschillende afstanden scherp te zien, hetgeen accommodatie wordt genoemd. De beelden (bijv. letter M) worden door het lenzensysteem van het oog gebroken en komen daardoor omgekeerd terecht op het netvlies (letter W). Dit signaal gaat naar de hersenen en wordt geinterpreteerd als een letter M:

Het hoornvlies werkt als een lens, die zelfs sterker is dan de eigenlijke ooglens. De brekingssterkte van een lens wordt uitgedrukt in dioptrieën (zoals de sterkte van een vergrootglas). Hoe groter het aantal dioptrieën, hoe sterker de lens is. De brekingssterkte van het hoornvlies ligt globaal tussen de 40 en 45 dioptrieën. De ooglens breekt ongeveer 20-22 dioptrieën. Bij elkaar opgeteld, is de brekingssterkte van het hoornvlies en lens ongeveer 58-65 dioptrie (zie folder bouw/functie hoornvlies).
Indien men op afstrand kijkt, vallen de lichtstralen precies op het netvlies: zie tekening hierna

2. Wat zijn refractie-afwijkingen (brekingsafwijkingen waarvoor bril nodig is)?
Wanneer de sterkte van het hoornvlies en de ooglens niet goed in verhouding staan tot de lengte van de oogbol dan vallen de lichtstralen uit de buitenwereld bij het in de verte kijken niet precies samen op het netvlies. Er is dan geen sprake van een oogziekte of zwakte maar van een refractie- of brekingsafwijking. Een refractie-afwijking houdt in dat bij één of beide ogen een bepaalde fout zit in het brekingssysteem. Er ontstaat een onscherp beeld op het netvlies (linker foto) dat te corrigeren is met een bril of contactlenzen (rechter foto):
  →  
(van fa Alcon, met toestemming)

De sterkte van een willekeurige lens (bijv. een vergrootglas, hoornvlies, lens), ofwel het brekend vermogen, wordt uitgedrukt in dioptrie (D). De brandpuntsafstand van een lens is het punt waar alle evenwijdig invallende lichtstralen tesamen komen en een scherp beeld vormen. Dit wordt uitgedrukt in meters (afkorting f van focus). De omrekening is: D = 1/f. Een voorbeeld: bij een lens met een sterkte van 3 D ligt de brandpuntafstand op 33 cm (=1/3m).

De brilsterkte wordt uitgedrukt in een sferisch (S) en een cylindrisch (C) getal, de sterkte ervan in “dioptrie” (afkorting D). Deze afkortingen worden bij elke behandeling (hierna) vermeld. Een voorbeeld van een brilrecept: S -4.0 * C -3.0 as 90 graden).

Een refractie afwijking kan globaal 2 oorzaken hebben:

  • een te zwak of te sterk brekend vermogen van het oog, veroorzaakt door het hoornvlies of de lens.
  • een te korte of te lange oogaslengte (een te kort of een te lang oog).

Meestal wordt de afwijking veroorzaakt doordat het oog te lang is (bij bijziendheid) of te kort is (bij verziendheid).

3. Vormen van refractie-afwijkingen (brekingsafwijkingen)
Een normaal oog heeft géén refractie afwijking en dus geen brilsterkte nodig; de lichtstralen vallen precies op het netvlies. Dit wordt emmetropie genoemd. Bij refractie-afwijkingen vallen de lichtstralen niet op het netvlies. Er zijn dus afwijkingen van de lichtbreking in het oog. Voorbeelden zijn myopie (bijziendheid), hypermetropie (verziendheid), astigmatisme en accommodatiestoornissen. Is er een refractie-afwijking, dan spreken we van een ametropie (brekingsafwijkingen van het oog). Bij myopie en hypermetropie valt het beeld respectievelijk vóór resp achter het netvlies van het ongeaccommodeerde oog.

We kennen de volgende refractie-afwijkingen:

  • bijziendheid (myopie, correctie met min-glazen) → zie folder myopie
  • verziendheid (hypermetropie, correctie met plus-glazen) → zie folder hypermetropie
  • cylindrische afwijkingen (astigmatisme; een refractieafwijking waarbij lichtstralen in verschillende assen op een ongelijke wijze worden gebroken) → zie folder cylindrische afwijking
  • ouderdomsverziendheid (presbyopie) → zie folder presbyopie
  • combinaties (myopie of hypermetropie, in combinatie met astigmatisme)
  • verschil in brilsterkte tussen beide ogen (een bijziend en verziend oog) →  lees verder
  • nacht-myopie of nacht-bijziendheid → zie folder myopie / nachtmyopie

Uitgebreide beschrijving van elke refractie-afwijking vindt u op de website www.oogartsen.nl  in het hoofdmenu “Brilsterkte” (zie bijbehorende links).

refractie afwijkingen

4. Klinisch beeld
Verworven refractie-afwijkingen leiden over het algemeen tot veranderingen in de gezichtsscherpte (visus) en/of tot asthenopie. Asthenope klachten zijn spoedig optredende vermoeidheid bij het kijken. De symptomen zijn soms moeilijk te omschrijven. Zo kunnen een onaangenaam gevoel, wazig zien en een tintelend of stekend gevoel in de ogen symptomen zijn van refractie-afwijkingen. Verziendheid (hypermetropie) heeft vooral invloed op het zien van dichtbij, terwijl bijziendheid (myopie) het verafzien nadelig beïnvloedt. Bij symptomen die buiten het oog zijn gelokaliseerd, zoals frontale hoofdpijn, mn in de avond, en nekpijn moet worden gedacht aan een refractieafwijking of een andere oogafwijking. Andere manifestaties die minder vaak op een oogheelkundige oorsprong wijzen, zijn algehele malaise, duizeligheid en misselijkheid.
Bij een myopie is vaak het oog langer dan normaal, bij een hypermetropie is vaak het oog korter dan normaal

Indeling

  • hypermetropie of hyperopie (verziendheid): > +0.5 Dioptrie (oogaslengte <22.94 mm)
  • emmetropie (geen/nauwelijks brilsterkte nodig): < 0.5 D en > -0.5 D (oogaslengte 23.47 mm)
  • myopie (bijziendheid):≤ -0.50 D (sterker of gelijk aan -0.50 D)
    • lage myopie: ≤ -0.50 D en > -3.0 D (oftewel tussen -0.50 en -3.0 D) (oogaslengte 24.19 mm)
    • matige myopie: ≤ -3.0 en > -6.0 D (oftewel tussen -3 en -6 D) (oogaslengte 25.16 mm)
    • hoge myopie: ≥ – 6.0 D (oftewel sterker of gelijk aan -6.0 D) (oogaslengte 25.96 mm)

5. Prevalentie van refractie-afwijkingen (hoe vaak komt het voor)?
Definities:
Prevalentie betekent hoe vaak een aandoening voorkomt in de bevolking. Ongeveer 52% van de mensen van 3 jaar of ouder draagt een bril of contactlenzen (National Health Interview Survey 1979-1980). De prevalentie is moeilijk weer te geven omdat het erg afhankelijk is van o.a.:

  • de leeftijd (en bevolkingsopbouw)
  • de omgeving en regio (verschillen tussen landen). Zelfs binnen de Chinese bevolking (China, Singapore, Hong Kong, Taiwan, Beijng) zijn er grote verschillen
  • de samenstelling van het cohort of onderzoekspopulatie (het onderzoek, welke patiëntencategorie is onderzocht, bijv. welke brilsterkte is genomen)
  • het geslacht (de studies geven wisselende resultaten over of er verschillen zijn tussen mannen en vrouwen)

De prevalentiecijfers kunnen daarom erg wisselen. Globaal worden de volgende cijfers beschreven, afkomstig van cijfers uit verschillende onderzoeken bijv. Beaver Dam study (blanken), Baltmore study en Barbados Eye study (donkere mensen), Blue Mountans Eye study (blanken), Visual impairment project (blanken), Los Angeles Latino Eye study, Andhra Pradesh Eye studie (India), Chennai Glaucoma study (India), Summatra study (Indonesie), Shihapai Eye study (Taiwan), Tanjong Pagar study (Singapore), National Survey (Bangladesh), Mongolia study, Beijing Eye study (China), Singapore Malay Eye study (Singapore), Singapore epidem. of eye disease study), Tajimi study (Japan), Hisayama study (Japan) en Handan Eye study (China). De groep van de bevolking in deze onderzoeken is gemiddeld ≥ 30-40 jaar.

  • Gemiddelde: globaal bedraagt de gemiddelde afwijking van de refractie (SE, brilsterkte) in de Westerse bevolking -0.40 tot -0.60 D (SD van 2.50 D) [Ophth 2016; 59 en BJO 2014;857].
  • Emmetropie: 17-57% (blanke en donkere mensen 20-30%, aziaten 20-57%)
  • Myopie (bijziendheid, min-bril)
    • sterker dan (ofwel ≤ -0.50 D): 15-40% (meest voorkomende frequentie 15-30%; bij blanken tussen 15-25%, in aziatische landen: 20-40%). Myopie komt vaker voor in (Oost-)Azie dan in Europa, Australie en Noord-Amerkika. Het aantal myopen neemt de laatste jaren fors toe. Het percentage is bij 20 jarigen nu al veel hoger dan bij 50-60 jarigen. Bij de zestigers, veertigers en twintigers komt bijziendheid voor in respectievelijk 1/4, 1/3 en 1/2 van de bevolking. De prevalentie van myopie neemt in de bevolking toe. In Aziatische landen liggen de percentages nog hoger: 60 jr geleden was 10-20% van de bevolking in China bijziend. Nu heeft 90% van de tieners en jong-volwassenen een myopie die gecorrigeerd moet worden.
      Van de wereldbevolking is het gemiddelde percentage bijziendheid (≤ -0.50 D) als volgt: 23% (jaar 2000), 28% (jaar 2010) en de prognose is 34% (jaar 2020) en 50% (jaar 2015). Dit verschilt per regio (zie tabel)
    • sterker dan -1.00 D: 13-30% (meest voorkomende frequentie: 15-20%. De prevalentie neemt de laatste decennia flink toe.
    • sterker dan -2.00 D: 13-18%
    • sterker dan -5.00 D: 2.5-8.4% (meest voorkomende frequentie bij blanken 2.5-5%; in aziatische landen 3-8.4%)
    • sterker dan -6.00 D: 2.5-5% (meest voorkomende frequentie: 1-4%) in Westerse landen. In Aziatische landen ligt dit percentage veel hoger (5-20%).
  • Hypermetropie(verziendheid, plus-bril)
    • sterker dan +0.5 D: 16-59% (bij blanken en donkere mensen: 50-60%, bij aziaten: 15-35%)
    • sterker dan (of gelijk aan) +3.0 D: 4-12%
  • Anisometropie (brilsterkte-verschil tussen het linker en het rechter oog)
    • van > 1.00 D: 10-25%
  • Astigmatisme (cylindrische afwijking, dwz het oog is niet rond maar heeft een ovaalvorm)
    • van > 0.50 D: 15-55% (meest voorkomende frequentie 20-40%; bij blanken zijn de cijfers niet bekend, de cijfers komen uit aziatische landen)
    • van ≥ 1.00 D: 40% (resultaten uit 3 studies: Blue Mountain, Sumatra, Duitsland)
    • In onderstaande tabel staan de resultaten van het voorkomen van astigmatisme in het vlak van het hoornvlies.
    • Een Duitse studie vermeldt tevens het totale astigmatisme. Het totale astigmatisme (cylinder) van het gehele oog wordt bepaald door het hoornvlies (cornea) en de ooglens. Dit is de correctie die in de bril komt. Deze getallen waren iets anders, namelijk: 32% had een astigmatisme van ≥ 1.00 D, 9.5% had ≥ 2.00 D, 3.4% had ≥ 3.00 D.
hoornvlies
-astigmatisme
(in dioptrieën D)

globale
cijfers

 hoornvlies
-astigmatisme
(in dioptrieën D)
gemiddelde  0.9-1.0 D
 < 0.25 D  4-14%
 0.25 – 1.25 D  65%
 0.25 – 1.50 D  77%
 ≤ 0.50 D  25-50%  ≥ 0.50 D  20-55%
 ≤ 1.00 D  60-65%  ≥ 1.00 D  35-40%
 ≤ 1.50 D  80%  ≥ 1.50 D  20%
 ≤ 2.00 D  90%  ≥ 2.00 D  8-10%
 ≥ 2.50 D  5%
 ≥ 3.00 D  2-3%
 ≥ 4.00 D  1%
 < 0.25 D  4-14%
  0.25 – 1.25 D 65%
 0.25 – 1.50 D  77%

Nb: de verdeling onder de 1.00 D wisselen per studie

Kinderen
Bij kinderen komt astigmatisme van  ≥ 1.00 D voor in wisselende percentages, afhankelijk van de studie en regio (30-44% bij 3-5 jarige Amerikaanse kinderen, 22% bij Canadese kinderen [gem 51 mnd], 21.1% bij jonge kinderen in Hong Kong,  4.8% bij 6 jarige Australische kinderen en 11.4% bij Taiwanese kinderen ouder dan 6 jr) [ref Ophth 2011; 2326].

6. Veranderingen van de refractie (brilsterkte) in de loop van het leven
6a. Emmetropisatie:
De immature (in ontwikkeling zijnde) ooglens ontwikkelt zich dusdanig dat de refractie-afwijking vermindert in de loop van de ontwikkeling (kinderleeftijd). Dit wordt emmetropisatie genoemd (emmetropie = geen brilsterkte nodig, geen refractie-afwijking). Het mechanisme is niet precies bekend maar kennelijk verandert de hoornvlies- en lens-sterkte bij een groeiend oog (aslengte neemt toe).

  • Pasgeborenen zijn vaak hypermetroop (verziend), soms emmetroop (geen brilsterkte). De hypermetropie neemt in de loop van de kinderjaren af richting de 0 D (geen bril). Dit wordt emmetropisatie genoemd.
    (bijv. bij een pasgeborene is de hypermetropie ongeveer 2 à 2.5 D, bij een 1-jarig kind +1.5 D, bij een 7-jarig kind 0 tot +0.8 D. De hoogte van de hypermetropie is mede afhankelijk van het ras).
  • Baby’s met een milde hypermetropie worden in de loop van de jaren vaak emmetroop (brilsterkte =0) of zelfs licht myoop (bijziend). Bijvoorbeeld, kinderen van 5-6 jaar met een hypermetropie tussen de +0.5 en +1.25 D hebben de meeste kans op emmetropie (0 D) op de leeftijd van 13-14 jaar. Kinderen met een hypermetropie van < + 0.5 D neigen meer tot een geringe myopie op 13-14 jarige leeftijd.
  • Baby’s met een sterke hypermetropie blijven vaak hypermetroop of worden soms sterker hypermetroop in de loop der tijd.
  • Myopie (verziendheid) bij baby’s komt veel minder vaak voor (1-3% in het 1e levensjaar). De myopie neemt meestal toe. Kinderen die myoop zijn op een leeftijd van 5-6 jaar neigen meer myoop te worden op 13-14 jarige leeftijd.
  • Astigmatisme bij baby’s wordt door emmetropisatie vaak minder. Kinderen met een astigmatisme “tegen de regel” (d.w.z. het hoornvlies heeft een vorm van een staande rugbybal) neigen in de loop der tijd een astigmatisme “met de regel” te ontwikkelen (een liggende rugby-bal). Het astigmatisme blijft vaak < 1 dioptrie. Astigmatisme bij kinderen met “astigmatisme met de regel” of met een “schuine as” lijkt niet in een specifieke richting te gaan ontwikkelen.
  • Anisometropie (verschil in brilsterkte tussen beide ogen) neemt vaak toe op kinderleeftijd.
  • Kinderen met een hoge hypermetropie hebben een hoger risico op het ontwikkelen van scheelzien.
  • Voor de frequentie van hypermetropie en het risico op scheelzien bij kinderen, zie ook bijlage kinderen.

6b. Op oudere leeftijd:
In de loop van het leven kan de brilsterkte bij normale, niet zieke, ogen enigszins wijzigen (volgens de Beaver Dam studie, Blue Mountains Eye studie en Reykjavik Eye studie). Dit is een natuurlijk proces. De frequentie van brekings- of refractieafwijkingen is sterk afhankelijk van de leeftijd.

Enkele voorbeelden (BDS = Beaver-dam studie 1994):
In de leeftijdsfase van 43 tot 54 jaar was de verdeling als volgt:
– hypermetropie (verziendheid): 22.1%
– myopie (bijziendheid): 42.9%
– emmetropie (geen brilsterkte): 35%

In de leeftijdsfase van 55 tot 64 jaar of oudere categorieen was de verdeling als volgt:
– hypermetropie (verziendheid): 50.2%
– myopie (bijziendheid): 25.1%
– emmetropie (geen brilsterkte): 24.7%

Tussen het 30e en 65e jaar kan het oog iets meer verziend (sterkere plus-bril of hypermetroop) worden: gemiddeld bedraagt deze toename in de plus-sterkte ongeveer 0.12 tot 0.20 dioptrie per 5 jaar (tussen 45-55 jr is dit iets hoger, nl 0.15-0.40 dioptrie voor elke 5 jaar) [oa Ophth 2016; 59]. De oorzaak hiervan is nog niet duidelijk. Factoren die een rol kunnen spelen zijn:

  • een latente hypermetropie (een daarvoor al bestaande, maar onopgemerkte verziendheid)
  • een verandering in het brekend vermogen van de eigen ooglens (verandering van de refractie-index)
  • een verandering van de lenspositie
  • een verlenging van aslengte (niet het geval in de Reykjavik studie)
  • een vermindering van de kromming van het hoornvlies
  • onbekende factoren, bijv. omgevingsfactoren (socioeconomisch), cohort-verschillen (de verschillende selectie criteria van individuele studies), het accommodatieve vermogen dat een rol kan spelen bij jongere personen

6c. Veranderingen van de refractie (brilsterkte, sferisch equivalent) in de loop der jaren
Algemeen
Het aantal mensen met een verziendheid (gehele populatie) neemt in de loop van de jaren toe (+0.25D). Dit zou veroorzaakt kunnen worden door bovengenoemde factoren. Er is echter een verschil tussen de leeftijdsgroepen.

  • Tussen het 40e en 65e jaar is er sprake van een hypermetropische shift (dwz het brekend vermogen in het oog neemt iets af). De shift bedraagt ongeveer + 0.22 tot + 0.50, afhankelijk van de studie (Blue Mountains  study, Beaver Dam study, Barbados studie  bedroeg dit +0.22 D in 10 jaar tijd). Een oorzaak is niet bekend (mogelijk dat de refractieindex van de lens afneemt). Enkele getallen (BMES studie: een verandering van <-0.5D in 5%, <-0.5D tot +0.5D in 60% en >+0.5D in 35% van de mensen).
  • Tussen het 65e en 75e levensjaar wordt de shift minder en buigt deze om in een minimale myope shift (dwz het brekend vermogen neemt iets toe).
  • Vanaf het 70-75e jaar is er een myope shift (waarschijnlijk door toename van staarvorming). Enkele getallen (BMES studie: een verandering van <-0.5D in 37%, <-0.5D tot +0.5D in 45% en >+0.5D in 17% van de mensen; gemiddeld een verandering van -0.5D).

Mensen met een myopie (bijziendheid)
De prevalentie verloopt bimodaal bij ouderen, dwz de bijziendheid neemt eerst in de loop van de jaren af en neemt hierna op hogere leeftijd (vanaf het 65e – 80e levensjaar) weer iets toe.

Mensen met een hypermetropie (verziendheid)
De verziendheid neemt in de loop der tijd iets toe. Enkele studies laten weer een geringe afname zien van de verziendheid op hoge leeftijd (>75 jr), maar dit wordt meestal veroorzaakt door beginnende staarvorming).

Mensen met een astigmatisme (cylindrische afwijking van het oog)
Bij astigmatisme is het brekend vermogen in de ene richting anders dan in de richting die er loodrecht op staat. Hierbij lijkt de vorm van het oog niet op een mooie ronde voetbal maar op een rugbybal. Het totale brekend vermogen wordt bepaald door het hoornvlies en de ooglens.
De prevalentie van het totale refractieve astigmatisme neemt toe met de leeftijd, met name in de groep van > 70 jr. Deze veranderingen zouden tot stand kunnen komen door een verandering van de hoornvlieskromming (corneaal astigmatisme) en/of van de lenskromming (lenticulair astigmatisme). Welke factor het belangrijkste is, is niet geheel bekend. Er is een trend van een shift van “astigmatisme met de regel” (een liggende rugbybal) naar een “astigmatisme tegen de regel” (een staande rugbybal) (vanaf > 40 jr).

Uiteraard kan de brilsterkte veranderen door allerlei oogziekten.

6d. Verandering van de refractie (brilsterkte, sferisch equivalent) bij dichtbij- of veraf activiteiten
Er bestaat een associatie tussen refractie afwijkingen en veraf-/dichtbij activiteiten bij kinderen. Hypermetropie komt iets vaker voor bij kinderen die veel buiten zijn (en minder dichtbij werken) dan kinderen die veel dichtbij-activiteiten doen (lezen, tv kijken, spelcomputers), terwijl myopie iets vaker voorkomt bij kinderen die veel dichtbij-werk doen (de verschillen zijn gering, in een studie waarbij 1-jarigen en 7-jarigen werden vergeleken bedroeg het verschil tussen de groepen “buiten activiteiten” en “binnen activiteiten “ongeveer 0.3 D).

6e. Groei van het lichaam en refractie-afwijking:
De refractie (brilsterkte) wordt primair bepaald door de lengte van het oog (aslengte) en de kromming van het hoornvlies. Bij bijziende ogen is het oog vaak langer dan normaal.
Studies bij pasgeborenen, kinderen, adolescenten en volwassenen laten een associatie zien tussen de lichaamsbouw (lengte) en de oogaslengte (hetgeen suggereert dat er een soort gecoordineerde groei is van het oog en het lichaam). Hoewel er een relatie bestaat tussen de lichaamsbouw (bijv. lichaamslengte) en de oogaslengte, is er weinig consensus over de relatie tussen de lichaamsbouw en de refractie-afwijking (ofwel, hebben langere personen dan ook vaker een bijziendheid?). Een toename van de aslengte zou een bijziendheid veroorzaken, echter dit wordt weer teniet gedaan door een vlakker hoornvlies waardoor de refractie niet hoeft te veranderen. Lange personen hebben in het algemeen een langere aslengte, hetgeen echter wordt gecompenseerd door een vlakker hoornvlies (een trend), waardoor er geen bijziendheid hoeft te ontstaan.

Een studie liet zien dat een bovenmatige groeisnelheid bij kinderen in de periode van 2.5-10 jaar zou kunnen leiden tot een geringe toename van de refractiefout op 15 jarige leeftijd (een minimale toename van de bijziendheid van < 0.5 D op 15e levensjaar). Het effect is dus minimaal [Ophthalmology 2013; 1064].

7. Oorzaken
Het is nog onvoldoende duidelijk waarom een refractieafwijking ontstaat. De volgende factoren kunnen een rol spelen:

  • De oorzaak is meestal onbekend. Op jonge leeftijd komt de refractieafwijking tot uiting. Omgevingsfactoren en erfelijke factoren spelen waarschijnlijk een rol.
  • Oogziekten: bepaalde oogziekten kunnen een myopie veroorzaken of laten toenemen.
    • staar (cataract) kan de brekingsindex van de ooglens beïnvloeden en leiden tot een toename van de bijziendheid (ook wel myopiserend cataract genoemd) (zie folder staar).
    • hyperglycemie (te hoge suikerspiegel) bij patiënten met diabetes mellitus kan zwelling van de ooglens en zo myopie veroorzaken. Bij behandeling van de bloedsuiker zal de refractieafwijking herstellen. Klachten van het zien bij diabetici kunnen ook veroorzaakt worden door netvliesafwijkingen (diabetische retinopathie).
    • overige aandoeningen. Oogafwijkingen, zoals myopie, zijn kenmerken van bepaalde aandoeningen, zoals homocystinurie, het syndroom van Marfan en andere genetisch bepaalde bindweefselafwijkingen.
  • Geneesmiddelen: voorts kunnen sommige geneesmiddelen de optische eigenschappen van het oog veranderen en refractieafwijkingen veroorzaken. Geneesmiddelen-geïnduceerde refractieafwijkingen herstellen zich meestal spontaan na het staken van het gebruik (voor meer informatie, zie folder medicatie).

8. Correcties van refractie-afwijkingen
Wil men bij een brekings- of refractie-afwijking het beeld toch scherp op het netvlies krijgen dan heeft men een correctie nodig. Deze correctie kan bestaan uit (zie op website www.oogartsen.nl):

  1. een bril  →  zie folders “Brilsterkte”
  2. contactlenzen  → zie folders “Contactlenzen”
  3. een laserbehandeling  →  zie folders “Refractie chirurgie”
  4. een torische kunstlens  → zie folders “Ooglens: staar”
  5. een operatie  →  zie folder “Clear lens extraction”

9. Overige informatie: de mate (rangorde) van refractie-afwijkingen (brekingsafwijkingen)
De brekingsafwijkingen kunnen verder onderverdeeld worden in:

  1. verschillende orden (profielen): de lage en hoge orde afwijkingen (low-order aberrations, high-order aberrations met uitleg over nachtmyopie of nachtbijziendheid)
  2. de localisatie
  3. monochromatisch / chromatisch

Informatie hierover staat in een andere folder vermeld  → lees verder.

10. Animatiefilm (Engels: diverse soorten brilsterkten)

Scroll naar top