Diabetes (suikerziekte): indeling type 1-2, klachten en lichamelijke complicaties

Diabetes (suikerziekte): indeling type 1-2, klachten en lichamelijke complicaties

Inhoudsopgave:

  1. Indeling Diabetes mellitus (DM) of suikerziekte: type 1-2
    • wat is suikerziekte
    • DM type 1
    • DM type 2
  2. Effecten van diabetes op lichamelijke processen
    • invloed op suikerstofwisseling
    • invloed op vetstofwisseling
    • invloed op eiwitstofwisseling
    • invloed op de andere stofjes in de cel (electrolytenhuishouding)
  3. Klachten
    • hyper
    • hypo
  4. Complicaties
    • Aantasting van afwijkingen van grote, middelgrote en kleine bloedvaten.
    • Aantasting van de kleinste vaten en haarvaten (capillairen).
    • Aantasting van de zenuwen
  5. Epidemiologie: hoe vaak komt diabetes voor
  6. Omrekeningstabel HbA1c en nieuwe eenheid mmol/mol

1. Indeling Diabetes mellitus (DM) of suikerziekte: type 1 en 2
1a. Wat is suikerziekte
DM is een aangeboren of verworven stofwisselingsziekte waarbij de alvleesklier (pancreas) een centrale rol speelt. Het is een aandoening waarbij een verstoring optreedt in de suikerstofwisseling (glucose) in het lichaam. Dit wordt ook wel suikerziekte genoemd. Het is een chronische stofwisselingsziekte met gevolgen voor met name de koolhydraat en vetstofwisseling. De pancreas of alvleesklsier (roze) ligt in de bovenbuik en is “gevangen” in de twaafvingerige darm (zie rechter foto):
  

Men houdt globaal de volgende waarden aan:
De diagnostiek van DM berust op het aantreffen van verhoogde bloed- of plasmaglucosewaarden. Metingen kunnen worden bepaald bij capillair volbloed of veneus plasma (veneus = aderlijk bloed; vaak laboratoria-bepalingen). Nuchtere waarden hebben de voorkeur (waarden in mmol/l):

  • Normaal: <5.6 bij capillair volbloed en < 6.1 bij veneus plasma
  • Gestoord: >5.6 en <6.0 bij capillair volbloed en >6.1 en <6.9 bij veneus bloed. Een gestoord nuchtere glucose wijst op een grotere kans op de ontwikkeling van DM en doorgaans op een verhoogd cardiovasculair risico
  • Diabetes mellitus: > 6.0 bij capillair volbloed en > 6.9 bij veneus bloed

Bij niet-nuchtere metingen liggen de waarden bij de diagnose DM hoger: >11 mmol/l. Als gevolg van DM kunnen allerlei afwijkingen ontstaan in het lichaam (zie folder complicaties). Eén van die complicaties is afwijkingen aan het netvlies in het oog. Voor een omrekeningstabel HbA1c,
HbA1c en tussen haakjes De nieuwe eenheid
4.0 (20), 4.5 (26)
5.0 (31), 5.5 (37)
6.0 (42), 6.5 (48)
7.0 (53), 7.5 (58)
8.0 (64), 8.5 (69)
9.0 (75), 9.5 (80)
10.0 (86), 10.5 (91)
11.0 (97), 11.5 (102)

oude eenheid = 0.0915*nieuw + 2.15%
nieuwe eenheid = 10.93*oude – 23.5 mmol/mlDiabetes mellitus kan ingedeeld worden in 2 groepen:

1b. DM type 1:
Normaal gesproken wordt insuline aangemaakt door groepjes cellen in de alvleesklier (pancreas), de zogeheten ‘eilandjes van Langerhans’. Bij mensen met type 1 diabetes zijn deze insuline-producerende betacellen vernietigd of beschadigd, meestal t.g.v. het eigen afweersysteem (door een auto-immuunproces). De alvleesklier maakt dus geen insuline meer aan. De ziekte treedt doorgaans voor het 30e levensjaar op. De symptomen zijn meestal snel progressief. Deze vorm wordt ook wel insuline-afhankelijke diabetes genoemd. Het wordt veroorzaakt doordat de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier absoluut geen insuline meer kunnen maken. Daarom heette deze vorm van diabetes ook wel jeugddiabetes, omdat de aandoening zich meestal op jeugdige leeftijd (< 25 jaar) openbaart.

De diagnose wordt meestal gesteld naar aanleiding van klachten als dorst en veel plassen. Het bloedsuikergehalte is veel te hoog en soms zijn er ketonen in de urine. Dit type diabetes komt voor bij ongeveer 0,6% (zes op de duizend mensen) van de Nederlandse bevolking. Omdat insuline nodig is om glucose uit het bloed naar de lichaamscellen te brengen, moet je met deze vorm van diabetes iedere dag zelf insuline inspuiten. Anders blijft het glucosegehalte in het bloed veel te hoog. Bij de DM type 1 speelt overwicht zelden een rol (BMI < 27 jaar) en is zelden erfelijk bepaald. Meestal is insuline-therapie aangewezen.

1c. DM type 2:
Bij het ontstaan van DM type 2 spelen zowel genetische als omgevingsfactoren een rol. De ontwikkeling van deze vorm van DM wordt gekenmerkt door 2 verschijnselen:

  • verminderde insulinesecretie door een betacel-dysfunctie
  • een insuline resistentie: ongevoeligheid voor insuline (insuline resistentie) in lever-, spier- en vetweefsel. Dit laatste is bekend als het insulineresistentie- of metabool syndroom, een cluster van metabole en hemodynamische afwijkingen met als kenmerken: een grote middelomvang (centrale adipositas), verhoogde bloeddruk, (licht) verhoogde bloedglucose- en insulinewaarden, verhoogde triglyceridenwaarden en verlaagde HDL-cholesterolwaarden

Bij dit type diabetes maken de eilandjes van Langerhans wel insuline aan maar de glucose kan niet voldoende in de cel worden opgenomen. Er wordt dus onvoldoende glucose uit het bloed gehaald. Bij deze vorm van diabetes spelen de volgende factoren een belangrijke rol:
a) een ongevoeligheid van lichaamscellen voor insuline (insuline resistentie). De insuline kan zijn werk niet meer goed doen doordat het lichaam ongevoelig is voor de insuline of
b)een verminderde insulinesecretie (afscheiding), er wordt te weinig insuline aangemaakt door de eilandjes van Langerhans.

Gezien het verhoogde risico op hart- en vaatziekten, richt de behandeling zich niet alleen op afname van de hyperglycemie (hoge bloedsuikers) – waarmee het risico op microvasculaire complicaties en in minder mate van macrovasculaire complicaties worden verminderd – maar vooral ook op de aanpak van andere cardiovasculaire risicofactoren, zoals roken, hypertensie (hoge bloeddruk) en dislipedemie (afwijken vetspiegels)

De ziekte openbaart zich meestal pas op oudere leeftijd, > 25 jaar maar gewoonlijk boven de 40 jaar. De aandoening kan jaren onontdekt blijven. Dit type wordt ook wel niet-insuline-afhankelijke diabetes genoemd. Deze vorm van diabetes komt vooral voor bij mensen die veel te zwaar zijn (BMI > 27). Door het overgewicht maakt de lever extra glucose aan. Hierdoor zal de bloedsuikerspiegel, die toch al verhoogd was, nog verder stijgen. Deze vorm van diabetes wordt ook wel ‘ouderdoms-diabetes’ genoemd.
De klachten die ontstaan bij type 2 diabetes zijn dezelfde als die bij type 1. De klachten treden alleen veel geleidelijker op, omdat de werkzame hoeveelheid insuline in het lichaam veel langzamer afneemt dan bij type 1 diabetes. Vaak wordt de diabetes bij toeval ontdekt, bijvoorbeeld bij bloed- of urineonderzoek voor een keuring. Type 2 diabetes komt voor bij 15 tot 20 op de 1000 mensen, dat is 1,5 tot 2% van de Nederlandse bevolking. Bij deze mensen zijn de vetstofwisseling en bloeddruk vaak ontregeld.
Type 2 diabetes wordt meestal behandeld met medicijnen, voedings- en bewegingsadviezen. Soms moet je na verloop van tijd ook insuline gaan spuiten. Vroeger kregen vooral mensen die ouder waren dan 60 jr type 2 diabetes. Daarom sprak men wel van ‘ouderdomssuiker’. Maar die term is achterhaald, want type 2 diabetes komt tegenwoordig ook vaak bij jongere mensen voor, zelfs bij kinderen.

2. Effecten van diabetes op lichamelijke processen
Doordat er te weinig insuline aanwezig is, komt er te weinig glucose in de cellen terecht. Glucose is de energiebron van een cel. Bij diabetes zijn de cellen voor de energielevering aangewezen op andere stoffen, voornamelijk vetten. Hierdoor neemt de vetafbraak toe en komen de vetproducten terecht in het bloed. Daarnaast treden bij DM ook andere verschijnselen op, die veroorzaakt worden door de verhoogde glucosespiegel in het bloed.
Het insulinetekort veroorzaakt namelijk niet alleen een stoornis in de suikerstofwisseling, maar ook in de eiwit- en vetstofwisseling. De gevolgen hiervan vinden hun weerslag in belangrijke organen, zoals het centrale zenuwstelsel, het cardiovasculaire apparaat (hart en bloedvaten) en de nieren.
Insulinetekort heeft de volgende effecten:

  • 2a. Invloed op suikerstofwisseling
    Omdat glucose in onvoldoende mate de cellen kan binnendringen, ontstaat een te hoge suikerspiegel in het  bloed (hyperglycemie genoemd). Stijgt het bloedglucosegehalte boven een bepaald niveau, dan wordt de glucose uitgescheiden met de urine. Dit gaat gepaard met verlies van water. Hierdoor ontstaan klachten van vermagering (calorieënverlies), vaak plassen en een dorstgevoel.
  • 2b. Invloed op de vetstofwisseling
    Door een tekort van glucose in de cellen wordt op grote schaal vet afgebroken waardoor grote hoeveelheden afvalstoffen van deze vetafbraak (vetzuren) in het bloed verschijnen. Deze vetzuren in het bloed worden door de lever afgebroken tot bepaalde afvalproducten. Dit leidt uiteindelijk tot verdere uitdroging van de patiënt.
  • 2c. Invloed op de eiwitstofwisseling
    Door een tekort van glucose in de cellen worden minder eiwitten opgebouwd in de cel. Bovendien wordt er meer eiwit afgebroken. De afvalproducten van deze eiwitten komen in de bloedbaan terecht en worden in de lever weer deels omgezet in glucose. Hierdoor stijgt het bloedglucosegehalte nog verder.
  • 2d. Invloed op de andere stofjes in de cel (electrolytenverhouding)
    Insuline heeft ook effect op de electrolyten in de cel: er treedt kalium-verlies op waardoor de patiënt zich moe kan voelen.

3. Klachten
Normaliter bevindt zich het bloedglucosegehalte tussen de 4 en 10 mmol/l. Indien dit buiten deze range valt, kan er een hyper (hyperglycemie, te hoog glucosegehalte) of een hypo (hypoglycemie, te laag glucosegehalte) ontstaan.

3a. Hyper
De glucose in het bloed stijgt boven de 10 waardoor de diabeet last kan krijgen van vermoeidheid, slaperigheid, dorst, droge mond, tintelingen, doof gevoel, prikkelingen, veel en fequent plassen. Wanneer deze hyper niet tijdig wordt behandeld dan kan iemand buiten bewustzijn raken. De behandeling bestaat uit het drinken van veel water, evt bijspuiten met insuline en overleggen met de arts of diabetesverpleegkundige.

3b. Hypo
Men spreekt van hypoglycemie bij een bloedglucosegehalte onder de 3,5 mmol/l. Dit komt vaker voor dean een hyperglycemie. Patienten die insuline gebruiken hebben er wel eens last van. Een goede instelling vergroot de kans op een hypo omdat een normale en een lage bloedsuikerspiegel dicht bij elkaar liggen. Hierdoor krijgen organen te weinig glucose om te verbranden. Met name de hersenen zijn hiervoor gevoelig omdat zij vooral afhankelijk zijn van glucoseverbranding. Te lage glucosewaarden in het bloed kunnen de volgende klachten geven: zweten, trillen, hongerige maag. Indien de glucose nog verder daalt dan onstaan er klachten die te maken hebben met het minder functioneren van de hersenen (verwardheid, moeheid, duizeligheid, angst, concentratieproblemen, moeilijker praten ed). Als de glucose nog verder daalt kan de patient terecht komen in een epileptische aanval of een coma.
De behandeling bestaat uit het verhogen van de glucosespiegel in het bloed door:

  • de patient een koolhydraatrijke drank met ten minste 30 gram suiker te laten innemen (snel werkende koolhydraten, limonade).
  • glucose of glucagon injectie. Als de patient dat door een verlaagd bewustzijn niet kan drinken, injecteert de huisarts 20-40 ml van een 50% glucoseoplossing intraveneus of, indien dit bijv. door onrust van de patient moelijkheden oplevert, 1 mg glucagon subcutaan (onder de huid) of intramusculair (in de spier). Nadat de patient weer tot bewustzijn komt (binnen 2-3 minuten na glucosetoediening of binnen 15 min na glucagon-injectie) wordt alsnog koolhydraatrijke voeding gegeven.
  • opname ziekenhuis. Patienten met ernstige hyperglycemie die gepaard gaat met sufheid of coma, snelle en/of diepe ademhaling, dehydratie of braken, worden in het ziekenhuis opgenomen

4. Complicaties
Diabetes mellitus kan op langere termijn gepaard gaan met complicaties in de vorm van beschadigingen aan diverse organen. Dit geldt voor beide typen van diabetes, zowel type 1 als type 2. Een belangrijke factor voor het ontstaan van deze complicaties en de snelheid waarmee zij voortschrijden is de mate van diabetes regulatie. Hoe slechter iemand is ingesteld, des te groter de kans op het ontstaan en snel verergeren van deze complicatie is. De complicaties kunnen zich afspelen in verschillende lichaamsonderdelen:

  1. aantasting van afwijkingen van grote en middelgrote en kleine bloedvaten
  2. aantasting van de kleinste vaten en haarvaten (capillairen)
  3. aantasting van de zenuwen

Insuline bevordert het transport van glucose vanuit het bloed naar de cellen. Dit geldt voor insuline-gevoelige cellen. Door een (relatief) tekort aan insuline, ontstaat er een te hoge suikerspiegel (glucose) in het bloed en een te lage suikerspiegel in de cellen. Dit heeft tot gevolg dat een te hoge bloedsuikerspiegel direct leidt tot een stijging van de glucosespiegel in verschillende weefsels.

Deze overmaat aan glucose leidt op een aantal manieren tot orgaanschade.

  1. Er ontstaan ophopingen van tussenproducten van de glucosestofwisseling in de cellen, bijv. sorbitol, waardoor een groot aantal chemische processen in gang worden gezet, die tot de uiteindelijke beschadigingen leiden.
  2. Glucose kan zich hechten aan allerlei eiwitten, waardoor onoplosbare en schadelijke ‘ versuikeringsproducten’ ontstaan.

Op den duur treden bij DM verschijnselen op, die o.a. worden veroorzaakt door:

4a.  Aantasting van afwijkingen van grote, middelgrote en kleine bloedvaten.
Dit wordt arteriosclerose genoemd. Voorbeelden zijn vernauwingen van bloedvaten in het hart, hersenen en benen. De mortaliteit (sterfte) als gevolg van coronaire hartziekten is voor mannen met DM type 2 tweemaal hoger en voor vrouwen driemaal hoger dan in de algemene bevolking.

  het hart
Univadis
4b.  Aantasting van de kleinste vaten en haarvaten (capillairen).
De aantasting van de kleine bloedvaatjes wordt een micro-angiopathie genoemd. Dit kan in vrijwel alle organen voorkomen, bijvoorbeeld:
  de nier   het netvlies

  •  in de nieren: Dit wordt nefropathie genoemd. De nier ligt onder de ribben (zie linker tekening, rechts in beeld, boonvormig). Dit kan leiden tot onvoldoende werking van de nieren (nierinsufficiëntie), met een toename van eiwituitscheiding in de urine, vochtophoping en een hoge bloeddruk. Van de dialysepatiënten heeft ongeveer 10% DM type-2 als primaire diagnose. De verwachting is dat in de toekomst vaker nefropathie zal optreden omdat DM type-2 op steeds jongere leeftijd ontstaat en de levensverwachting toeneemt doordat de cardiovasculaire risicofactoren beter behandeld worden.
  • in het netvlies: Dit wordt een retinopathie genoemd. Deze website gaat met name over de oogafwijkingen die kunnen ontstaan bij diabetes mellitus. Er is een speciale folder over suikerziekte en ogen en vele netvliesfoto’s en netvliesafwijkingen (fotogalerij).

4c. Aantasting van de zenuwen
Dit wordt een neuropathie genoemd. Hierdoor kunnen verschillende zenuwen worden aangedaan, zoals:

  • de motorische of bewegingszenuwen: de spieren worden dunner, er kunnen verlammingsverschijnselen ontstaan.
  • de sensorische- of gevoelszenuwen: er kunnen gevoelsstoornissen ontstaan, vooral in de benen en voeten. In Nederland krijgt jaarlijks ongeveer 2% van de mensen met DM type-2 een diabetisch ulcus (zweer) en ondergaat 0.6% een amputatie.
  • de ‘autonome’ zenuwen: blaasstoonissen, impotentie, maagproblemen.

Soms treden ernstigere afwijkingen op in de benen, diabetische gangreen genoemd: dit is dan meestal het gevolg van een combinatie van bovengenoemde 3 factoren: arteriosclerose, micro-angiopathie en neuropathie en soms een bijkomende infectie.
  (afk van Univadis, met toestemming)
detailopname van een voet, zij-aanzicht

  • wit = botstukjes van de voet
  • rood/blauw = slagaders resp. aders van de voet
  • geel = zenuwen van de voet

Voetenpoli 
Patiënten met diabetes mellitus kunnen problemen met de voeten krijgen. Een speciale risicogroep zijn de dialysepatiënten die ook aan diabetes lijden. Een podotherapeut, orthopedische schoentechnicus, evt een revalidatie-arts en internist werken op de voetenpoli samen om ernstige zweren en ontstekingen aan de voet in een zo vroeg mogelijk stadium te behandelen. Zonodig kunnen andere specialisten worden geraadpleegd. Door het samenwerken van de verschillende disciplines kan sneller een diagnose worden gesteld en de bedreigde voet sneller worden behandeld. V

Beleid gericht op het voorkomen en behandeling van voetproblemen
Patiënten met een matig of hoog risico op een diabetisch voetulcus (zweer) krijgen het advies dagelijks hun voeten te (laten) inspecteren en goed passend schoeisel en sokken zonder dikke naden te dragen. Bij een ulcus moeten zij direct contact opnemen met de huisarts. Bij patiënten met drukplekken en overmatige eeltvorming gaat de huisarts na of het schoeisel het belangrijkste probleem is. Zoja, dan advies om goed passend schoeisel te kopen of verwijzing naar de podotherapeut. Soms is bij een ulcus een behandeling met antibioticum noodzakelijk
Bij standsafwijkingen of een abnormaal brede voet verwijst de huisarts naar een podotherapeut, een revalidatiearts of een orthopedisch chirurg.

5. Epidemiologie: hoe vaak komt diabetes voor

5a. Algemeen
Op basis van verschillende huisartsenregistratie-projecten wordt de jaarlijkse incidentie (aantal nieuwe gevallen per jaar) van diabetes mellitus in Nederland geschat op ruim 3,5 per 1000, hetgeen neerkomt op ca. 60.000 nieuwe patiënten per jaar.
De prevalentie (het totaal aantal patiënten) van diabetes mellitus wordt geschat op 29,8 per 1000 (absoluut is dit 475.000), waarbij de prevalentie op oudere leeftijd hoger is onder vrouwen dan onder mannen.
In Nederland zijn derhalve ca. 500.000 personen bekend met diabetes mellitus. Uit bevolkingsonderzoeken in begin jaren ’90 bleek bovendien dat ca 50% van alle personen met diabetes niet bij de huisarts bekend was; dit percentage van onderdiagnose is momenteel, door verbeterde case-finding, 30%. Dit betekent dat het daadwerkelijke aantal  mensen met diabetes momenteel ca. 800.000 bedraagt.

Het aantal personen met diabetes mellitus, en daardoor het aantal diabetespatiënten met retinopathie (netvliesafwijkingen), neemt gestaag toe; in 1993 waren er in Nederland 250.000 diabetespatiënten, thans zijn er 475.000 door de huisartsen geregistreerd.
Tussen 2000 en 2020 wordt een stijging van ruim 35% verwacht. Het aantal type 2 diabetespatiënten neemt niet alleen toe door vergrijzing en verlengde levensduur, type 2 diabetes mellitus komt ook steeds vaker voor op jongere leeftijd. Ook de incidentie van type 1 diabetes neemt toe en de diagnose wordt op jongere leeftijd gesteld dan voorheen

5b. Kinderen
Uit de huisartsenregistraties en uit onderzoek onder kinderen komt verder naar voren dat ongeveer 4.200 kinderen en jongeren van 0-19 jaar type 1 diabetes hebben.

5c. Voorkomen per type diabetes mellitus
Er zijn verschillende soorten diabetes, elk met eigen oorzaken en verloop. Van alle mensen met diabetes heeft ruim:

  • 85% type 2 diabetes
  • minder dan 15% type 1 diabetes
  • zwangerschapsdiabetes komt bij 1 op de 20 zwangerschappen voor. Dat is een (meestal) tijdelijke vorm van type 2 diabetes.

6. Omrekeningstabel HbA1c en nieuwe eenheid mmol/mol

Omrekeningstabel van de oude eenheid %HbA1c in
de nieuwe eenheid mmol/mol
HbA1c van en tussen haakjes de nieuwe eenheid
4.0 (20), 4.5 (26)
5.0 (31), 5.5 (37)
6.0 (42), 6.5 (48)
7.0 (53), 7.5 (58)
8.0 (64), 8.5 (69)
9.0 (75), 9.5 (80)
10.0 (86), 10.5 (91)
11.0 (97), 11.5 (102)

oude eenheid = 0.0915*nieuw + 2.15%
nieuwe eenheid = 10.93*oude – 23.5 mmol/ml

Scroll naar top