Uveitis (inwendige oogontsteking, vaatvlies of regenboogvlies ontsteking)

Uveitis (inwendige oogontsteking, vaatvlies of regenboogvlies ontsteking)

Inhoudsopgave inwendige oog-ontsteking (uveïtis)

  1. Inleiding uveïtis
  2. Klachten, verschijnselen en diagnostiek
  3. Oogonderzoek
  4. Indeling van uveïtis
    • mechanisme van de ontsteking, aanvang (begin) en beloop, uitgebreidheid van de aandoening: lokaal of systemisch
    • lokalisatie van de ontsteking
      • uveitis anterior, iridocyclitis
      • intermediaire uveitis
      • uveitis posterior
      • panuveitis
  5. Diagnose
  6. Oorzaken
  7. Beloop/ Risico’s / Prognose
  8. Behandeling
  9. Specifieke aandoeningen van uveïtis
  10. Animatiefilm

1. Inleiding uveïtis
In de volgende tekeningen ziet u een dwarsdoorsnede door het oog:
 
In de tekeningen hieronder ziet u ook een dwarsdoorsnede door het oog, maar met een detailopname van de oogstructuren die van belang zijn bij een inwendige oogontsteking. De uvea is het vlies dat de bloedvaten van het inwendige oog bevat. Het is het middelste laagje van het oog en bestaat uit:

  • het regenboogvlies (iris)
  • het straalvormig lichaam (corpus ciliare)
  • het vaatvlies (choroidea): het vaatvlies ligt weer tussen het netvlies (retina) en de harde oogrok (sclera) in. Voor meer informatie over het vaatvlies, zie folder bouw-functie op www.oogartsen.nl

   

In deze tekening ziet u de 3 lagen van het oog: het netvlies (binnenste laag), het vaatvlies (middelste laag) en de harde oogrok (buitenste laag).

Uveïtis is een inwendige oogontsteking van één of meerdere lagen van de uvea (uvea=vaatvlies; itis=ontsteking). Het glasvocht, netvlies (retina), oogzenuw (papil), harde oogrok (sclera) en/of hoornvlies (cornea)  kunnen ook aangedaan worden bij het ziekteproces.
Uveïtis is een verzamelnaam is van meer dan 30 aandoeningen, gekenmerkt door een inwendige oogontsteking. Het is een complexe aandoening waarbij de uitleg in deze folder algemeen wordt gehouden. Specifieke, zeldzamere vormen van de uveitiden worden verder in een aparte bijlage besproken (zie elders).
Het betekent dat niet alle opmerkingen in deze folder voor alle uveïtis-patiënten gelden. Inwendige oogontstekingen komen duidelijk minder voor dan uitwendige oogontstekingen (slijmvlies- of hoornvlies ontstekingen). Een besmetting ontstaat immers minder snel binnen in het oog dan buiten het oog omdat de structuren in het oog worden beschermd door de uitwendige bekleding (hoornvlies, harde oogrok).
Hoe vaak komt het voor? De uveïtis komt bij globaal 125 per 100.000 van de mensen  voor. De uveitiden komen op alle leeftijden voor, ook bij kinderen.

Animatiefilm met inleiding  → zie einde van de pagina

2. Klachten / Verschijnselen en diagnostiek
Patiënten met een uveïtis kunnen de volgende klachten hebben:
– vermindering van het gezichtsvermogen van één of beide ogen (wazig zien)
– pijnlijk rood oog
– lichtschuw (fotofobie)
– zwarte vlekjes, troebelingen of slierten in het beeld (floaters)
– tranend oog (epifora)
– diffuse waas (door ontstekingscellen, vocht onder het netvlies (macula-oedeem) en/of staarvorming)
Uveïtis kan heel plotseling beginnen met een pijnlijk en rood oog maar kan ook geleidelijk ontstaan (zeer geleidelijk waziger zien). De ontsteking kan in één oog voorkomen, in beide ogen tegelijkertijd of afwisselend in één van beide ogen.

3. Oogonderzoek
Bij oogheelkundig onderzoek kan er sprake zijn van diverse afwijkingen, hetgeen afhankelijk is van de plek waar zich de ontsteking in het oog bevindt:

  • roodheid van het slijmvlies: conjunctivale of ciliaire roodheid (= roodheid rond de iris)
  • ontstekingscellen in het voorste deel van het oog, tussen het hoornvlies en de iris. Soms ontstaat een wit laagje ontstekingscellen, een soort witte neerslag, onderin de voorste oogkamer (hypopyon)
  • ontstekingscellen in klompjes / klonters tegen de binnenzijde van het hoornvlies (descemet stippen of KP’s)
  • soms ontstaan er bolletjes het regenboogvlies (noduli genoemd)
  • een hoge of lage oogdruk
  • een troebel hoornvlies
  • verklevingen van de iris aan de lens (synechiae posterior). Doordat de pupil vast zit aan de lens, reageert de pupil niet meer (volledig) op licht (normaliter wordt de pupil kleiner bij licht en wordt de pupil groter in het donker)
  • staar (hetgeen veroorzaakt kan worden door de uveitis maar ook de medicatie [steroiden] die daarvoor wordt gebruikt)
  • troebel glasvocht
  •  verschillende netvliesafwijkingen (ontstekingshaarden, bloedvatontstekingen, zwelling van de oogzenuw (papil-oedeem). Ook is het mogelijk dat er vocht onder het centrale deel van het netvlies komt (de macula of gele vlek). Dit wordt macula-oedeem genoemd.

Met een normaal oogheelkundig onderzoek kan de oogarts vaststellen of er sprake is van uveïtis. Bij dit onderzoek zullen de pupillen met oogdruppels verwijd worden. Dit geeft tijdelijk wat waziger zien. Voorbeelden van afwijkingen die de oogarts kan waarnemen:
-Foto 1: verkleving van het regenboogvlies (iris) aan de ooglens (synechiae posteriores genoemd). Foto 2: klompjes van ontstekingscellen zitten aan de binnenzijde van het hoornvlies (descemetstippen). Foto 3: een detailopname van de rand van het regenboogvlies en de pupil (met noduli)

 

Foto 1: een iridocyclitis met een wit laagje ontstekingsweefsel in het voorste deel van het oog (hypopyon). Foto 2: idem
 

– Afbeeldingen: a) een netvlies dat aangetast is door een toxoplasmose infectie (een oude ontstekingshaard met een pigmentrandje), b) een actieve ontstekingshaard en c) vlekkerige neerslagen onder het netvlies

OCT-scan: vocht onder de gele vlek (macula), hetgeen macula-oedeem wordt genoemd

Macula-oedeem

4. Indeling van uveïtis
Er zijn verschillende manieren om de uveïtis in te delen. Hierbij wordt rekening gehouden met:

  1. de oorzaak van de ontsteking (het mechanisme)
  2. de aanvang (begin) en beloop van de aandoening
  3. de uitgebreidheid van de aandoening (een geïsoleerde oogontsteking of gepaard gaande met andere lichamelijke (systemische) aandoening
  4. de lokalisatie in het oog
  5. het beloop van de aandoening in de loop van de tijd (een acute of chronische vorm) etc.

4a.  De oorzaak  van de ontsteking (het mechanisme)
Uveïtis kan ook worden onderverdeeld op basis van de oorzaak of het mechanisme (bron) van de ontsteking. Een ontsteking kan gepaard gaan mét een infectie (infectieuze uveitis) of zónder een infectie (niet-infectieuze uveitis). De niet-infectieuze vorm van uveitis komt het meeste voor (80-90% van alle uveitiden).

  • Infectieuze uveitis (door een virus, bacterie, schimmel ed):
    Infecties kunnen optreden bij jonge of oudere mensen. De kans op een infectie is groter als het lichaam verzwakt is door ziekten die de afweer onderdrukken of door bepaalde medicijnen. De infectie kan worden beperkt zijn tot het oog of onderdeel zijn van een uitgebreidere (lichamelijke) ziekte. De infectie kan veroorzaakt worden door een:

    • Bacterie: bijv. tuberculose, syphilis (geslachtsziekte), tekenbeet (Lyme), kattekrabziekte (Bartonella), lepra
    • Virus: bijv. cytomegalie virus (CMV), herpes simplex of varicella zoster, HIV, rubella, Possner-Schlossman.
    • Schimmel: bijv. candida, aspergillus, cryptococcus
    • Parasiet / worm: bijv. toxoplasmose, onchocerciasis (rivierziekte), toxocariasis
      De infecties vormen ongeveer 20% van alle inwendige ontstekingen. De meest frequente oorzaak is een toxoplasmose infectie (zie informatie elders), gevolgd door herpes/varicella zoster infectie.
  • Niet-infectieuze uveitis (afwijkende immunologische reactie / auto-immuunziekte)
    De meeste inwendige ontstekingen treden op zonder de aanwezigheid van ziektekiemen. Deze vormen komen het meeste voor (in 80% van de gevallen). Het wordt veroorzaakt doordat het eigen afweersysteem reageert op eigen lichaamsweefsel, en geval van uveitis tegen het oog (auto-immunologische ziekte). De oorzaak waarom dit gebeurt is veelal niet bekend. Men denkt dat meerdere factoren nodig zijn om een uveitis te ontwikkelen (waaronder ook een erfelijke aanleg). Voorbeelden zijn uveitiden waarbij:

    • alléén het oog is aangedaan (lokale ontsteking zonder een lichamelijke aandoening), bijv. diverse ‘white-dot-syndromen‘ (o.a. Birdschot), POHS,  pars planitis
    • andere lichamelijke aandoeningen (systemische ziekten) aanwezig zijn. De meest voorkomende aandoeningen zijn sarcoidose (long- en gewrichtsontsteking), bindweefselziekten, gewrichtsaandoeningen (Bechterew, Reiter JIA bij kinderen), darmziekten (colitis ulcerosa, Crohn) , ziekte van Behcet. Bij 1/3 van de patiënten is een uveitis onderdeel van een auto-immuunziekte waarbij meerdere organen aangedaan zijn
  • Overige oorzaken uveitis:
    • Traumatisch (schade van buitenaf):
      Zowel een chirurgisch trauma (na operaties) als een niet-chirurgisch trauma (ongeval, vreemd voorwerp in het oog).
    • Masquerade syndromen:
      Dit zijn aandoeningen in het oog die een oogziekte geven die erg lijken op die van een uveïtis. Voorbeelden zijn tumoren of gezwellen (lymfoom, leukemie), aangeboren afwijkingen (PHPV, hoge bijziendheid), een bloedvat- of vasculaire afwijking (vaatafsluiting, hoge bloeddruk, Coats) en na een trauma (bijv. vreemd voorwerp in het oog).
    • Medicamenteus: sommige medicijnen hebben uveitis als bijwerking. Dit kan in milde of ernstige mate voorkomen.

4b. Aanvang (begin) en beloop van de aandoening
Een uveïtis kan plotseling beginnen (acuut) of sluimerend ontstaan. Het verdere beloop van de aandoening kan ingedeeld worden in: plotseling (acuut), geleidelijk ontstaan (chronisch) of een steeds terugkerende ontsteking (recidiverend, herhaling van de ontsteking).

4c. Uitgebreidheid van de aandoening (lokaal of systemisch)
Uveïtis kan ook ingedeeld naar de uitgebreidheid van de aandoening:

  1. Locale oogheelkundige ziekte. Er is sprake van alléén een oogontsteking (lokaal, oculair of oogheelkundig). De ontsteking kan plaatselijke voorkomen; in dat geval is alléén het oog aangedaan, zonder andere lichamelijke aandoeningen.
  2. Systemische (lichamelijke) ziekte. De inwendige ontsteking van het oog is onderdeel van een andere ziekte in het lichaam.

4d. Lokalisatie van de ontsteking
Uveïtis kan, afhankelijk van waar de ontsteking in het oog zit, onderverdeeld worden in diverse soorten. Bepaalde aandoeningen kunnen op verschillende plaatsen in het oog voorkomen, er kan dus sprake zijn van overlap. Hier volgt een uitgebreidere indeling, rekening houdend met bovengenoemde factoren (d.w.z. de oorzaak en de uitgebreidheid van de ontsteking).

  • Uveïtis anterior:
    Dit is een ontsteking van het voorste deel van het oog (de uvea). Hierbij is het regenboogvlies (de iris) ontstoken. De aandoening wordt dan ook wel iritis genoemd. Soms is tevens het straalvormig lichaam (corpus ciliare) aangedaan, in dat geval spreekt men van een iridocyclitis. Van alle patiënten met een uveïtis heeft ± 80-92% een uveïtis anterior. De uveitis anterior komt dus het meeste voor en niet kan worden onderverdeeld in:

    • Infectieus (door een virus, bacterie, schimmel ed):, bijv. door
      • een virus (cytomegalie CMV, herpes simplex / herpes zoster, Epstein-Barr EBV, rubella (rode hond), rubeola (mazelen) of glaucomatocyclische crisis (Posner- Schlossman)
      • een bacterie (syfilis, ziekte van Lyme, tuberculosis TBC, kattenkrab ziekte).
    • Niet-infectieus (afwijkende immunologische reactie / auto-immuunziekte) 
      • zonder lichamelijke of systemische ziekten (alléén het oog is aangedaan); bijv.
      • met lichamelijke of systemische ziekten (uveitis met afwijkingen elders in het lichaam); bijv.
  • Intermediaire uveïtis:
    Dit is een ontsteking in het middelste deel van het oog: het glasvocht, corpus ciliare (straallichaam) en pars plana (gebied achter het corpus ciliare). Het is het gebied dat zich direct achter de lens bevindt, dus tussen het regenboogvlies (iris) en het vaatvlies (choroidea). Ofwel, het is het inwendige deel van het oog ter hoogte van de aanhechting van de oogspier (zie tekening). Vaak is het glasvocht dan ook ontstoken. Men maakt onderscheid in een pars planitis (ontsteking van het vaatvlies direct achter de lens) en een vitritis (ontsteking van het glasvocht). Deze vorm komt bij ± 8-20% van alle patiënten met uveïtis voor. De intermediaire uveïtis is vaak dubbelzijdig, komt meestal voor tussen het 20e – 40e levensjaar. Vaak hebben patiënten aanvankelijk weinig klachten, bestaande uit wazig zien, troebelingen / vlekken zonder pijn. De intermediaire uveitis kan worden onderverdeeld in:

    • Infectieus (door een virus, bacterie, schimmel ed): bijv. door een bacterie (syfilis, ziekte van Lyme)
    • Niet-infectieus (afwijkende immunologische reactie / auto-immuunziekte):
      • zonder lichamelijke of systemische ziekten (alléén het oog is aangedaan); bijv. pars planitis.
      • met lichamelijke of systemische ziekten (uveitis met afwijkingen elders in het lichaam): bijv. MS-geassocieerde uveitis, sarcoidose.
  • Uveïtis posterior:
    Dit is een ontsteking van het achterste deel van het oog (de uvea, te weten het vaatvlies [choroidea] en/of het netvlies [retina]. Wanneer alleen het vaatvlies (choroidea) ontstoken is, wordt dit ook wel choroiditis genoemd. Indien het netvlies is aangedaan, spreekt met van een netvliesontsteking (retinitis). Vaak is er een ontsteking van beide lagen (vaatvlies en netvlies) aanwezig (chorioretinitis of retinochoroiditis genoemd). Deze uveïtis vormt ± 10% van de inwendige oogontstekingen. De meest voorkomende vormen van een uveïtis posterior zijn de toxoplasmose en sarcoidose.  De uveitis posterior kan worden onderverdeeld in:

    • Infectieus (door een virus, bacterie, schimmel ed): bijv. door een virus (ARN acute retinale necrose, CMV retinitis, HIV AIDS), door een schimmel (oculaire histoplasmose OHS), door een parasiet / protozoa (toxoplasmose, onchocerciasis) of door een bacterie (syphilis, ziekte van Lyme, tuberculose).
    • Niet-infectieus (afwijkende immunologische reactie / auto-immuunziekte):
      • zonder lichamelijke of systemische ziekten (alléén het oog is aangedaan); bijv.  diverse ‘white dot syndromen’ (witte plekjes op het netvlies zoals APMPPE, Birdshot, MEWDS, multifocale choroiditis met panuveitis, punctate inner choroiditis (PIC), sergineuze choroiditis).
      • met lichamelijke of systemische ziekten (uveitis met afwijkingen elders in het lichaam): bijv. collageen-vasculaire of bindweefsel ziekten (bijv. SLE, polyarteritis nodosa, Wegener),
      • sarcoidose, ziekte van Behcet
      • overige (onbekende oorzaak): Bij een groot deel van de patiënten wordt geen oorzaak gevonden; dit wordt dan idiopatische uveïtis posterior genoemd  (in ± 35% van de gevallen).
  • Panuveïtis (totale uveitis):
    Dit is een inwendige ontsteking van het gehele oog (combinatie van de bovengenoemde vormen). Deze totale uveitis kan worden onderverdeeld in:

    • Infectieus (door een virus, bacterie, schimmel ed); bijv. door een bacterie (syfilis, ziekte van Lyme, Bartonella of kattenkrab ziekte) of door herpesvirussen ed.
    • Niet-infectieus (afwijkende immunologische reactie / auto-immuunziekte):
      • zonder lichamelijkeof systemische ziekten (alléén het oog is aangedaan); bijv. sympatische ophthalmie, steriele endophthalmitis
      • met lichamelijke of systemische ziekten (uveitis met afwijkingen elders in het lichaam); bijv. sarcoidose (long- en gewrichtsontsteking), ziekte van Behcet (zweren in mond en geslachtsdelen), ziekte van Vogt-Koyanagi-Harada (VKH met neurologische en huid/haar afwijkingen), masquerade afwijkingen (lymfoom, leukemie)

Deze indeling is van belang omdat de verschillende vormen van uveitis een verschillend beloop hebben. Het beloop bepaalt onder andere de keuze van de behandeling. Bij een uveitis zijn de aangrenzende lagen, zoals netvlies en harde oogrok vaak ook betrokken bij de ontsteking.
Voor specifieke informatie over bepaalde ziekten verwijzen we naar de bijlage van deze folder (zie specifieke vormen van uveitis).
Voorbeelden van een uveitis posterior:
 

5. Diagnose
Met een normaal oogheelkundig onderzoek kan de oogarts vaststellen of er sprake is van uveïtis. Bij dit onderzoek zullen de pupillen met oogdruppels verwijd worden. Dit geeft tijdelijk wat waziger zien. Het is vaak niet mogelijk bij dit eerste onderzoek vast te stellen wat de oorzaak is. Een uveïtis kan gepaard gaan met andere lichamelijke aandoeningen. Afhankelijk van de bevindingen wordt evt nader onderzoek verricht, bijvoorbeeld een gezondheidsvragenlijst, een consult bij de internist of reumatoloog, bloedonderzoek (naar onderliggende oorzaken), röntgenonderzoek (bijv. longfoto’s bij sarcoidose, tbc), een netvlies OCT-scan, een contrastonderzoek (FAG om het netvlies te beoordelen)
Soms wordt oogvocht afgenomen en onderzocht (VOK-punctie genoemd). Het oogvocht wordt onder plaatselijke verdoving met een kleine naald uit het oog gehaald en op “kweek” gezet. Bij bepaalde uveitiden is een weefselbiopt nodig (bijv. van granulomen bij sarcoidose).

6. Oorzaken
Uveïtis is meestal een geïsoleerde oogaandoening, d.w.z. dat het beperkt blijft tot het oog zelf. Er zijn dan geen andere lichamelijke problemen aanwezig. (een locale oogheelkundige ontsteking). Echter in ongeveer 40% van de gevallen gaat het wel gepaard met andere lichamelijke afwijkingen (systemische afwijking). U kunt zelf niet veel doen tegen de auto-immuunreactie in het oog. Er zijn geen leefregels voor uveitis. Wel beïnvloedt roken het ziektebeloop ongunstiger. Werkzaamheden zoals lezen, tv-kijken, computeren en sport hebben geen invloed op het ziekteproces.

7. Beloop / Risico’s / Prognose
7a. Beloop
Alle vormen van uveïtis kunnen leiden tot een tijdelijke of blijvende vermindering van het gezichtsvermogen. Uveitis kan zeer wisselend verlopen; het kan éénmalig optreden, herhaaldelijk terugkomen, maar ook langdurig aanwezig zijn met afwisselend rustige perioden en perioden waarin het ontstekingsproces toeneemt. De ontsteking kan verschillende delen van het oog beschadigen.
Een uveitis anterior (vóórzijde van het oog) heeft een betere prognose (w.b.t. het gezichtsvermogen) dan de andere uveitis-vormen. Echter deze vorm komt het meest frequent voor.
7b. Risico’s
Bekende problemen of complicaties die zich kunnen voordoen bij patiënten met uveïtis en die kunnen leiden tot een daling van het gezichtsvermogen zijn: hoornvlies-afwijkingen, staar, verhoogde oogboldruk, netvliesschade (bijv. littekens en vocht onder de gele vlek; vooral bij een uveïtis posterior), macula pucker (een littekenvliesje over de gele vlek), bandkeratopathie en complicaties door de behandeling zelf (medicijnen).
7c. Prognose
Er bestaat een kans dat, na genezing van de uveitis-aanval, opnieuw een uveitis ontstaat (recidief). In een onderzoek bleek dat bij 39% van de patiënten met een uveitis anterior de ziekte opnieuw terugkwam in een periode van 1.5 jaar [Ophthalmology 2011; 1911].
Bij gemiddeld 75-90% van de uveitis-patiënten blijft de gezichtsscherpte in de loop der jaren stabiel [Ophth 2014; 2387]. Bij de overige 10-25% daalt de gezichtsscherpte in geringe of ernstige mate. De belangrijkste reden hiervan wordt veroorzaakt door vochtophoping in de gele vlek (macula-oedeem), verhoogde oogdruk en soms door littekenvorming in de gele vlek (t.g.v. chronisch macula-oedeem of choroideale neovascularisaties).

8. Behandeling
De behandeling is vooral gericht op genezen van de ontsteking en op het voorkómen van schade aan het kwetsbare netvlies. Deze schade is vaak onherstelbaar. Wanneer de oorzaak van uveitis bekend is, kan een doelgerichte therapie worden voorgeschreven. De beslissing om te behandelen wordt per individu gemaakt. De volgende behandelingen behoren tot de mogelijkheden:

8a. Geen behandeling nodig
Niet elke uveitis hoeft behandeld te worden. Bijvoorbeeld een ‘Fuchse uveitis syndroom’ heeft vaak geen behandeling nodig. Een pars planitis verloopt in 25-30% van de gevallen mild, zonder complicaties (macula oedeem) en met een goede gezichtsscherpte waardoor behandeling niet nodig is. Deze patiënten kunnen een goede gezichtsscherpte behouden.

Als een uveitis-patieënt behandeling nodig heeft, dan is het doel om de ontsteking compleet te onderdrukken met medicijnen. Uveitis wordt dan in het algemeen met ontstekingsremmende middelen en pupilverwijdende druppels (zie 2) behandeld.

8b. Corticosteroïden
Dit zijn effectieve ontstekingsremmende medicijnen die bij uveitis-patiënten in verschillende sterktes en verschillende vormen (oogdruppels, tabletten, injecties of implants) worden toegepast. Deze middelen worden bij niet-infectieuze ontstekingen gebruikt. De corticosteroïden worden meestal in druppelvorm voorgeschreven (bijv. Pred forte, dexamethason, FML). Bij ernstigere gevallen kunnen corticosteroiden op een andere wijze worden toegediend, bijv.

  • Injectie naast het oog (met celestone of kenacort).
  • Prednison in de vorm van tabletten (orale corticosteroiden).
  • Injectie in het oog. Hierbij wordt het corticosteroid rechtstreeks in de glasvochtruimte geinjecteerd (bijv. kenacort / triamcinolon) of er wordt een implant (staafje met medicijnen) in het oog geinjecteerd. Bij een implant wordt het medicijn vertraagd in de glasvochtruimte afgegeven (voor langere periode). Deze toepassing wordt slechts incidenteel toegepast (bij chronische gevallen).

De meest voorkomende bijwerkingen van corticosteroïden zijn:

  • Verhoging van de oogboldruk; de verhoging van de oogboldruk komt weinig voor en is meestal van tijdelijke aard en met medicijnen te verlagen. Dit treedt m.n. op bij locale toediening.
    Bij implants daarentegen is het risico op een oogdrukverhoging op zelfs een glaucoomoperatie wel hoger (bijv. bij de Fluocinolon-acetaat FA-implants blijkt dat 25-45% een glaucoomoperatie nodig heeft [ref Ophth 2011; 1916 en 1927]. Implants worden slechts weinig toegepast (zie folder glaucoomoperatie).
  • Staar (bij langdurig gebruik van de medicijnen); mocht staar onverhoopt ontstaan, dan is deze goed operatief te behandelen, zie elders op website www.oogartsen.nl bij “Lens (staar)“.

De voordelen van het gebruik van corticosteroiden wegen op tegen de nadelen, omdat zonder behandeling de gezichtsscherpte sterk kan worden aangetast. Echter, de bijwerkingen moeten ook weer niet gebagatelliseerd worden. Waarschuwing: het is niet raadzaam deze geneesmiddelen plotseling te stoppen of te wijzigen omdat de ontsteking hierdoor weer kan opvlammen. Overleg in geval van bijwerkingen altijd eerst met uw oogarts.
Orale corticosteroiden zijn vaak nodig om in de beginfase de oogontsteking onder controle te krijgen, zelfs als immunosuppressiva nodig zijn.

8c.  Pupilverwijdende oogdruppels (mydriatica)
Deze druppels voorkómen verkleving van de iris met de lens en verlichten de pijn. Ze brengen tevens het oog in een rusttoestand. Voorbeelden van deze druppels zijn: atropine, cyclopentolaat, tropicamide of fenylefrine. Een hinderlijke bijwerking van pupilverwijdende druppels kan zijn dat het dichtbij zien wordt bemoeilijkt en dat men meer last heeft van fel licht.
In sommige gevallen is het nodig om andere oogdruppels (bijv. Acular, Naclof) of tabletten (NSAID’s, diamox) te gebruiken.

8d.  Immunosuppressiva
In ernstige gevallen van uveïtis zijn specifieke, zwaardere medicijnen nodig, immunosuppressiva genoemd. Voorbeelden hiervan zijn methrotrexaat, azathioprine, cellcept/myfortic . Deze worden met name voorgeschreven bij een uveïtis posterior of een panuveïtis. Meestal worden deze medicijnen gebruikt in aanvulling op of ter vervanging van prednison (en worden daarmee de lichamelijke bijwerkingen van prednison verminderd). Immunosuppressiva kunnen ook bijwerkingen geven en bij deze middelen moet regelmatig bloedonderzoek verricht worden.

8e Biologicals (TNF-alfa blokkers)
Voorbeelden zijn adalibumab (Humira), infliximab (Remicade), tocilzumab (RoAcetmra), rituximab

8f. Glasvochtoperatie (vitrectomie)
Soms is een inwendige oogoperatie nodig. Deze operatie wordt elders besproken op deze website (folder vitrectomie). Een vitrectomie kan een rol spelen bij het diagnosticeren van de uveitis (indien de oorzaak niet te achterhalen is), bij ernstige uveitis waarbij olie in het oog wordt ingebracht om het oog te stabiliseren of om storende glasvochttroebelingen te verwijderen. Het glasvocht kan onderzocht worden (“kweek”) op de aanwezigheid van bacteriën, virussen, schimmels en aanwezigheid van kwaardaardige aandoeningen.

Welke behandeling is globaal nodig
De aard van de behandeling is globaal afhankelijk van de lokalisatie van de aandoening:

  • de uveitis anterior (het voorste deel van het oog) wordt meestal behandeld met oogdruppels (steroïden en pupil-verwijdende oogdruppels).
  • de intermediaire uveitis wordt vaak behandeld met regionale steroiden (injecties in of naast het oog), met systemische steroïden (prednison tabletten), of indien nodig, met immunosuppressiva.
  • de uveitis posterior (achterste deel van het oog) of panuveitis (ontsteking van het gehele oog) worden behandeld met regionale of systemische steroiden (prednison tabletten), immunosuppressiva of biologicals.

Controle
Patiënten moeten vaak regelmatig worden gecontroleerd door de oogarts om het ziektebeloop te beoordelen en de medicatie aan te passen. Tevens moeten complicaties, veroorzaakt door de uveïtis zelf en door de medicatie, tijdig worden opgespoord en worden behandeld. Indien geïndiceerd, zal de patiënt verwezen worden voor verder onderzoek en/of medicatiebegeleiding naar een internist / reumatoloog / immunoloog.
Er bestaat een patiëntenvereniging: “Patientgroep Uveitis” (onderdeel van de Oogvereniging) → lees verder
Met dank voor de correcties door N. ten Dam – Van Loon (uveitis-specialist UMCU)

9. Specifieke aandoeningen
In de bijlage uveitis staan enkele aandoeningen nader in detail beschreven, zoals tuberculose, toxoplasmose, sarcoidose, Fuchse heterochrome uveitis, white-dot-syndromen (APMPPE, Birdshot, MEWDS, multifocale choroiditis met panuveitis, punctate inner choroiditis (PIC), sergineuze choroiditis), idiopatische uveitis anterior, uveitis bij gewrichtsaandoeningen (Bechterew, Reiter syndroom, psoriasis), uveitis bij darmziekten (Crohn, colitis ulcerosa), infectieuze uveitis (HSV/HZV, CMV, HIV), intermediaire uveitis, Posner-Schlossman syndroom en de  ziekte van Behςet. → zie bijlage

10. Animatiefilm

  • zie youtube film over uveitis → ga verder
  • zie Engelstalige animatie hieronder
Scroll naar top