Ooglaseren: PRK / LASEK / Epi-LASIK (Epi-LASEK)

Ooglaseren: PRK / LASEK / Epi-LASIK (Epi-LASEK)

Inhoudsopgave:

  1. Inleiding: bouw van het oog en het hoornvlies
  2. Overzicht refractiechirurgie
  3. Behandelingen
    1. PRK
    2. LASEK
    3. Epi-LASIK (synoniemen Epi-LASEK of Epi-K)
  4. Wanneer PRK/LASEK
  5. De behandeling in stappen
  6. Herstelperiode
  7. Resultaten
  8. Risico’s
  9. Animatiefilm

1. Inleiding: bouw van het oog en het hoornvlies
Het hoornvlies (cornea) is het glasheldere voorste deel van het oog, waardoor het licht het oog binnenkomt. Het is een voortzetting van het witte deel van het oog (de harde oogrok of sclera genoemd). De sclera omvat  de hele oogbol. Achter het hoornvlies is het gekleurde deel van het oog te zien, het regenboogvlies (iris). Bij een ooglaserbehandeling wordt het hoornvlies van vorm veranderd m.b.v. een laser.

doorsnede oog doorsnede hoornvlies (cornea)
–  links: een doorsnede door het oog
– rechts: een doorsnede door het hoornvlies (cornea)
Het hoornvlies heeft een dikte van ongeveer een 0,5 mm en is opgebouwd uit een 5 lagen: epitheel, Bowmanse membraan, stroma, Descemet membraan en endotheel. Het buitenste deel van het hoornvlies is bedekt door een dun laagje ‘huid’ (epitheel). Het epitheel kan zich, in tegenstelling tot andere structuren van het hoornvlies, na beschadiging vrij goed en snel herstellen zonder littekenvorming, omdat de epitheelcellen zich steeds vernieuwen (voor details over het hoornvlies of verwijzingen naar folders, zie www.oogartsen.nl.

Om scherp te zien is het nodig dat lichtstralen uit de buitenwereld precies op het netvlies van het oog samenvallen. Het brekend systeem in het oog bestaat uit het hoornvlies en de ooglens in het oog. Indien de lichtstralen of beelden uit de buitenwereld niet precies samenvallen op het netvlies, is er sprake van een refractie- of brekingsafwijking. Refractie-afwijkingen kunnen bestaan uit bijziendheid (myopie), verziendheid (hypermetropie), cylindrische afwijkingen (astigmatisme) of ouderdomsverziendheid (presbyopie). Er kunnen verschillende redenen zijn om voor een refractieve ingreep te kiezen: problemen met bril of contactlenzen, streven naar bril-onafhankelijkheid.

2. Overzicht refractiechirurgie
Refractiechirurgie wil zeggen dat door middel van een operatieve ingreep de refractieafwijking permanent wordt gecorrigeerd met als doel onafhankelijker te worden van een bril of contactlenzen. Er bestaan verschillende refractieve ingrepen. Eén van de vormen van refractiechirurgie is een ooglaserbehandeling (het laseren van het hoornvlies). Bij het laseren wordt het hoornvlies van kromming veranderd. Met de excimerlaser wordt computer-gestuurd de vorm van het hoornvlies dusdanig geremodelleerd dat de gewenste sterkte in het hoornvliesoppervlak wordt aangebracht. Hierdoor wordt de refractie-afwijking gecorrigeerd. Met de laser kan de hoornvlieskromming worden afgevlakt (bij bijziendheid of myopie) of steiler worden gemaakt (bij verziendheid of hypermetropie). Ook cylindrische afwijkingen kunnen worden gecorrigeerd.

  • Algemene informatie / Voorwaarden om in aanmerking te komen voor ooglaserbehandeling → lees verder
  • Voor een indeling of overzicht van alle refractieve operaties →  lees verder
  • Voor de kosten van de laserbehandelingen  →  lees verder

3. Behandelingen
Aan het einde van de folder vindt u een animatiefilm over de behandeling.
In grote lijnen zijn er 2 ooglaserbehandelingen:

  • een behandeling met hoornvliesflap (LASIK). Bij een hoornvliesflap wordt een echte flap gemaakt die bestaat uit epitheel, Bowmanse membraan en het voorste deel van het stroma. Deze flap wordt opzij gelegd, waarna met laser de bolling van het hoornvlies gecorrigeerd wordt (zie folder ooglaseren (LASIK). De flap wordt hierna teruggelegd op het gelaserde wondbed.
  • een behandeling zonder hoornvliesflap (PRK, LASEK, epi-LASIK). Hierbij wordt de buitenste laag (het epitheel) van het hoornvlies verwijderd waarna de laser in het stroma de gewenste oogcorrectie teweegbrengt. Het is een oppervlakkige behandeling van het hoornvlies, ook wel “surface ablation” genoemd. Er is een trend aanwezig naar richting de PRK-LASEK behandeling in plaats van een LASIK.
    Het verschil tussen de 3 behandelingen (PRK, LASEK, epi-LASIK) zit in de manier waarop het epitheel wordt losgemaakt en al dan niet wordt teruggeplaatst.  Over het algemeen zijn de resultaten van deze 3 behandelingen vergelijkbaar.
    Deze folder gaat over de methode “zonder een hoornvliesflap”.

3a.  PRK (Photo-Refractieve Keratectomie)
Bij PRK wordt het buitenste laagje van het hoornvlies (de epitheellaag) voorzichtig mechanisch verwijderd met een klein spateltje of borsteltje. Dit laagje maakt slechts 10% van de dikte van het hoornvlies uit. De laser vindt vervolgens plaats in de 2 daaropvolgende lagen, de Bowmanse membraan en het stroma. Het epitheel wordt na de behandeling niet meer teruggelegd.

flapje van hoornvlies wegklappen  PRK ooglaseren: laserstralen  afgevlakt hoornvlies na ooglaserbehandeling
illustraties PRK: een epitheelflapje wordt weggehaald en niet meer teruggelegd
3b  LASEK (LASer Epitheliale Keratomileusis of LAser-assisted SubEpitheliale Keratectomie)
Bij LASEK wordt het buitenste of oppervlakkig laagje van het hoornvlies (het epitheel) deels losgeweekt van de onderliggende laag met alcohol en opzij geschoven. Dit epitheelflapje zit nog op 1 plaats vast. Het epitheel wordt na de behandeling weer teruggeplaatst:

flapje van hoornvlies wegklappen hoornvliesflapje, ooglaseren terugklappen van flapjeafgevlakt hoornvlies na ooglaserbehandeling
illustraties PRK: een epitheelflapje wordt weggeklapt en later weer teruggeklapt

Het “epitheel-flapje” bestaat uit het buitenste laagje van het hoornvlies.
Bij de LASEK is er sprake van een epitheelflap, bij de LASIK is het echter een veel dikkere flap (bestaande uit epitheel, Bowmanse membraan en stroma weefsel).

Het verschil tussen PRK en LASEK
De laserbehandeling op zich verschilt niet tussen deze twee methoden. Het verschil tussen PRK en LASEK is gering. Bij de PRK wordt het bovenste laagje (epitheel) verwijderd en moet weer aangroeien na de operatie. Bij de LASEK wordt het bovenste laagje losgeweekt met alcohol, opzij gerold en ná de laserbehandeling weer teruggerold op het blootliggend hoornvlies. De resultaten zijn vergelijkbaar. Bij beide methoden groeit het epitheel binnen een aantal dagen weer terug. Het oog heeft enige tijd nodig om te herstellen.

Er zijn aanwijzingen dat de LASEK methode als voordeel heeft dat zij minder pijn en minder kans op lichte hoornvliestroebelingen geeft. Omdat er geen hoornvliesflap wordt gemaakt (zoals bij een LASIK), treden “flap- complicaties” bij de PRK/LASEK niet op.
Mocht tijdens de LASEK-behandeling, bij uitzondering, de epitheellaag per ongeluk niet intact zijn, dan wordt dit  verwijderd en wordt de behandeling eigenlijk een “PRK”- behandeling. Dit geeft dan uiteindelijk geen problemen.
De nauwkeurigheid van deze behandelmethoden is vergelijkbaar met LASIK, maar er is hier na de behandeling wel enige dagen sprake van een pijnlijk gevoel, lichtgevoeligheid en het duurt iets langer voordat het eindresultaat bereikt is. Binnen een week wordt 80% van het beoogde resultaat bereikt, herstel volgt binnen enkele weken. Meestal worden beide ogen in een keer behandeld.
Bij epi-LASEK is het zicht sneller hersteld en komen minder pijnklachten voor dan bij de LASEK/PRK methode. De patiënten hebben over het algemeen wel wat meer pijnklachten dan bij de LASIK methode.

3c.  Epi-LASIK (Epitheel LASer in Situ Keratomileusis) [synoniemen: Epi-LASEK, Epi-K]
De Epi-LASIK techniek is vergelijkbaar met de LASEK methode. Het verschil is dat het epitheelflapje gemaakt wordt met een “stompe” microkeratoom in plaats van met alcohol (vergelijk met een kaasschaaf). Het meest oppervlakkige laagje epitheel (dat slechts 10% van de dikte van het hoornvlies uitmaakt) wordt losgemaakt en weggeklapt. Na de laserbehandeling wordt het flapje weer teruggeplaatst.
In tegenstelling tot LASIK, wordt de structuur van het hoornvlies (het stroma) niet doorklieft met een scherp mesje. Deze methode wordt aan het einde van de folder meer in detail besproken.verwijderen oppervlakkig laagje van hoornvlies
met een stompe plaatje (microkeratoom) wordt het epitheel verwijderd
Methode: Op het oog wordt een ring geplaatst onder een gering vacuum. Op deze ring komt een schuifje te staan (met een stompe rand) die het epitheel lostrilt. Het hoornvlies is een relatief vaste structuur. Het stompe schuifje, gemonteerd in een microkeratoom, volgt de natuurlijke vorm van het oog waarbij alleen een epitheelflap ontstaat (tot op de membraan van Bowman). Bij Epi-LASIK wordt de natuurlijke vorm van het hoornvlies niet doorsneden. Het epitheelflapje wordt weggeklapt waarna de laserbehandeling plaatsvindt van de onderliggende laag. Na de laser wordt het epitheelflapje weer in zijn geheel teruggelegd en wordt een contactlens op het oog geplaatst. Het laagje groeit vast in minder dan een week tijd, dit in tegenstelling tot de flap bij de LASIK methode (bij de Lasik methode groeit de flap minder stevig vast en blijft daardoor altijd een zwakkere plek). Doordat er niet gesneden wordt (maar het epitheel wordt ‘geschoven’), wordt de structuur van het hoornvlies niet aangetast en verstoord.

Resultaat: Het zicht herstelt sneller en er komen minder pijnklachten voor dan bij de LASEK/PRK methode. Er is geen alcohol toxiciteit aanwezig (zoals bij LASEK). De patiënten hebben over het algemeen wel wat meer pijnklachten dan bij de LASIK methode. Op de derde dag na de behandeling ervaart men het vernieuwen van het epitheel (een normaal proces) door een iets waziger beeld. Er zijn aanwijzingen dat deze methode als voordeel heeft dat zij minder pijn en minder kans op lichte hoornvliestroebelingen geeft. Omdat er geen hoornvliesflap wordt gemaakt (zoals bij een LASIK), treden “flap- complicaties” niet op (deze flapcomplicaties worden in de LASIK-folder beschreven). Dit is dus vergelijkbaar met de PRK/LASEK methode. Mocht tijdens de behandeling, bij uitzondering, de flap per ongeluk niet intact zijn, dan wordt het epitheelflapje verwijderd en wordt de behandeling eigenlijk een “PRK”- behandeling. Dit geeft dan uiteindelijk geen echte problemen.
Bij ongeveer 90% van de mensen is de restrefractie (brilsterkte na de behandeling) < 0.5 D.

Indicaties: De indicaties voor epi-LASEK zijn vergelijkbaar met LASEK en LASIK. De techniek is uitermate geschikt voor patienten met droge ogen, met een dun hoornvlies (waardoor ze voor LASIK niet in aanmerking komen) of voor mensen die bang zijn voor het loskomen van het flapje (bij LASIK). Met name bij sporters met een groot risico op oogletsel (contactsporten bijv. boksen) is epi-LASIK een veiligere methode.

Verschillen met epi-LASIK en LASIK: Bij LASIK snijdt men een relatief dik flapje (epitheel, membraan van Bowman en een deel van het stroma) door, dat na weggeklapt te zijn, toegang biedt tot het middelste deel van het hoornvlies (stroma). Deze methode is erg klantvriendelijk en daarom ook zo populair (nagenoeg geen pijn, snel herstel van het gezichtsvermogen). Het is echter gebleken dat zich in een aantal gevallen vervelende complicaties kunnen voordoen (flapproblemen, droge ogen, ontstekingen, zwakke gebieden in het hoornvlies, zie website bij “LASIK”). Het alternatief is PRK of LASEK waarbij het epitheel mechanisch verwijderd wordt of losgeweekt wordt met alcohol. Hoewel het een veiligere behandeling is, heeft het een aantal klant-onvriendelijke eigenschappen, die weliswaar tijdelijk zijn, maar toch mensen afschrikken (pijn, trager herstel). Bij Epi-LASIK wordt een epitheelflap gemaakt die na de behandeling wordt teruggeklapt. De pijnklachten zijn wat meer dan bij LASIK, maar minder dan bij LASEK. Echter de kans op complicaties zijn minder dan bij LASIK (bijv. geen flapcomplicaties).

4. Wanneer PRK / LASEK?
De PRK en LASEK kunnen worden toegepast bij:

  • De PRK / LASEK-behandeling is geschikt voor bijziendheid tot -8.00 dioptrieën, verziendheid tot +4.00 dioptrieën en cilinders tot 5.00 dioptrieën.
  • De behandeling is tevens geschikt als het hoornvlies te dun is voor een LASIK-behandeling.
  • De behandeling wordt ook verricht bij bepaalde oppervlakkige hoornvliesafwijkingen.
  • De techniek is uitermate geschikt voor mensen die bang zijn voor het loskomen van het flapje (bij LASIK). Met name bij sporters met een groot risico op oogletsel (contactsporten bijv. boksen) zijn de oppervlakkige laserbehandelingen (PRK/LASEK/epi-LASIK) een veiligere methode dan de LASIK.

5. De behandeling in stappen
5a. De stappen bij de laserbehandeling:

  • Bij LASEK / PRK worden beide ogen op één dag behandeld.
  • Alle technieken gebeuren onder plaatselijke verdoving met behulp van oogdruppels (geen injectie).
  • U ligt op een behandeltafel met uw gezicht naar boven, gericht naar het lasersysteem.
  • Het oog wordt gedesinfecteerd en afgedekt met een steriele doek. Het andere oog is afgedekt.
  • De oogleden worden met een ooglidspreider opengehouden zodat u niet kunt knipperen.
  • Eerst wordt het epitheel verwijderd (zie boven), hierna wordt de correctie met de laser aangebracht.
  • U kijkt gericht naar een klein lichtpuntje in het lasersysteem zodat het oog goed gecentreerd blijft. Door gebruik te maken van een eyetracker blijft de laserstraal het oog exact volgen, zelfs bij de geringste oogbeweging.
  • In een zeer korte tijd verwijdert de computergestuurde excimerlaser een minuscule hoeveelheid hoornvliesweefsel (zie hierna).
  • Bij de PRK is het epitheel verwijderd en kan niet meer worden teruggeplaatst. Bij een LASEK wordt na de laserbehandeling de losgeweekte cellaag weer teruggelegd op de oorspronkelijke plaats. Immers bij LASEK wordt de epitheellaag behouden om deze na de laserbehandeling als één laag weer op het behandelde gebied terug te leggen.
  • Na de behandeling worden druppels en een bandagelens (zachte contactlens) aangebracht. Deze bandagelens zorgt voor vermindering van het ongemak (branderig, zanderig gevoel) en beschermt het oog.

5b. De laser
Nadat het epitheel van het centrale deel van het hoornvliesweefsel is verwijderd, is het onderliggende weefsel klaar voor de laserbehandeling. Het centrale oppervlakkige deel van het hoornvliesweefsel, dat zich direct ónder het epitheel bevindt, wordt gelaserd. Vervolgens wordt met de laser de gewenste sterkte in het hoornvliesoppervlak aangebracht.


De middelste laag (stroma) wordt behandeld met laser
De laserstralen verwijderen (verdampen) dunne laagjes weefsel volgens een berekend patroon, afhankelijk van de te corrigeren sterkte. Bij bijziendheid (myopie) wordt het hoornvlies in het centrum afgevlakt waardoor het hoornvlies platter wordt. Bij verziendheid (hypermetropie) wordt het buiten het centrum afgevlakt waardoor het hoornvlies steiler gemaakt wordt.
Met behulp van een Excimer laser wordt er licht geproduceerd (ultraviolet licht met een korte golflengte van 193 nm) dat aan de buitenkant van het oog (hoornvlies) zeer nauwkeurig energie afgeeft (1 laserimpuls verwijdert 0.25 micron hoornvliesweefsel; ter vergelijking: een menselijke hoofdhaar is ongeveer 70 micron en het hoornvlies is ongeveer 550 micron dik). Met behulp van de excimer-laser vindt foto-ablatie (=verdamping) van een microscopisch kleine hoeveelheid weefsel plaats dat onder het epitheel is gelegen. De excimer lasert door de 2e laag (Bowman) heen en past in het stroma gedurende enkele seconden de vorm van het hoornvlies exact aan. De laser werkt hierbij het patroon af dat is ingesteld op basis van het metingen tijdens het vooronderzoek (de mate van de brilsterkte).

6. Herstelperiode
Het onderliggende epitheel (wond) geneest in ongeveer 2-4 dagen; een enkele keer kan de genezing ook langer duren. Hierna kan de contactlens worden verwijderd. De eerste 2-3 dagen na de behandeling kan het oog wat pijnlijk zijn. U krijgt daarom oogdruppels voorgeschreven ter verzachting van de pijn. Tevens krijgt u een recept voor pijnstillende tabletten. Gedurende de genezingsfase is er soms sprake van enige lichtschuwheid en een branderig gevoel in het oog. Een zonnebril en kunsttranen (oogdruppels) kunnen deze klachten verminderen. Gedurende drie maanden na de behandeling moet het oog gedruppeld worden om de genezing te bevorderen. Tijdens de nacontroles wordt het genezingsproces gevolgd.

7. Resultaten
7a. Wanneer is het resultaat bereikt?
Na gemiddeld 4 dagen wordt het beoogde resultaat bereikt, volledig herstel volgt binnen enkele weken. Hierbij geldt dat men wel normaal kan functioneren. De lange termijn resultaten zijn voorspelbaar en stabiel.
Omdat er bij LASEK/PRK geen hoornvliesflapje wordt gemaakt, zoals bij LASIK, is het oog tijdens het herstel en in de jaren daarna minder kwetsbaar. Omdat er geen hoornvliesflap wordt gemaakt (zoals bij een LASIK), treden “flap- complicaties” ook niet op.

7b. Welke Resultaten
De uiteindelijke resultaten (correctie van de brilsterkte, het gezichtsvermogen zonder bril) van bovengenoemde technieken zijn vergelijkbaar met de LASIK-methode. Elke methode heeft zo zijn vóór- en nadelen. De resultaten zijn afhankelijk van de mate van de bijziendheid (myopie) of verziendheid (hypermetropie). De sterkte wordt uitgedrukt in D (dioptrie), het gezichtsvermogen (visus) in een percentage. Voorbeelden:

  • bij een myopie (bijziendheid) tot -6.00 D: Dit is de ideale sterkte voor een PRK-laserbehandeling. Hierbij bereikt men bij ongeveer 90% van de mensen een ongecorrigeerde visus (zonder brilcorrectie) van ≥ 100%. Bij 90%-100% van de behandelde ogen wordt een ongecorrigeerde visus van ≥ 50% behaald. Bij 90% (82%-94%) is de behaalde brilsterkte na de laserbehandeling ≤ 0.50 D.
  • bij een middelmatige myopie (bijziendheid) tussen de -6.00 en -10.00 D: hoe hoger de myopie, des te geringer de resultaten. Ongeveer 30%-50% van de behandelde ogen bereikt een visus van ≥100%. Ongeveer 50-100% van de ogen bereikt een visus van ≥ 50%. Bij de hogere sterkten van > -8 D zijn de resultaten slecht en daarbij wordt een laserbehandeling niet geadviseerd. Bij deze categorie patiënten is een Phake Intraoculaire lens implantatie een geschiktere behandeling (zie folder).
  • correctie van hypermetropie (verziendheid) van < +3.50 D: ongeveer 30-70% bereikt een visus van ≥ 100%, afh. De resultaten zijn minder goed dan bij myope ogen en afhankelijk van de mate van de verziendheid.
  • correctie van hypermetropie (van +3.00 tot +5.00 D): slechts 10-20% bereikt een visus van ≥ 100%, 45-90% bereikt een visus van ≥ 50%. Door de slechte resultaten bij patienten met een hogere verziendheid van 3.0 tot 3.50 D wordt een laserbehandeling derhalve niet aangeraden.

8. Risico’s
Elke operatie brengt risico’s met zich mee. Er is geen enkele kliniek waar geen complicaties bij voorkomen. De meeste ingrepen met ooglaseren verlopen uitstekend (bij een goede indicatiestelling), met een goed resultaat. Maar incidenteel zijn er wel vervelende gevolgen die, bij een goede voorlichting, ook vermeld dienen te worden. De volgende risico’s komen, gelukkig zelden, voor:

a) Verminderd gezichtsvermogen na de behandeling
De eerste 10 dagen na de laserbehandeling is de gezichtsscherpte verminderd. Dit komt doordat het epitheel nog niet glad is en nog niet tot de juiste dikte is aangegroeid. De wondgenezing moet dan nog plaatsvinden. Na een paar dagen gaat de gezichtsscherpte geleidelijk weer vooruit. De optimale gezichtsscherpte is na ongeveer 1 maand bereikt. De sterkte kan tot 3 maanden na de ingreep nog licht fluctueren. Het oog kan aanvankelijk een droog gevoel hebben (kans is bij LASIK groter).

b) Onder- of overcorrectie
De eerste maanden kan er tevens sprake zijn van een lichte overcorrectie, zodat het oog dan verziend (hypermetroop) geworden is, wanneer voor bijziendheid is behandeld (bij correctie van een verziendheid kan er een overcorrectie richting de bijziendheid of mypie plaatsvinden). Binnen een paar maanden neemt deze overcorrectie geleidelijk af, en bereikt men de uitgerekende sterkte.
In ongeveer 5% van de gevallen is er sprake van een ondercorrectie van meer dan 1.00 dioptrie. Bij minder dan 1% komt een overcorrectie voor van meer dan 1.00 dioptrie. Dit kan aanleiding geven om een aanvullende lasercorrectie te laten plaatsvinden.

c) Haze (hoornvliestroebeling)
Zelden neemt de helderheid van het hoornvlies in de eerste maanden in geringe mate af. Na de behandeling kan een geringe vertroebeling van het hoornvliesoppervlak optreden, haze genoemd. Indien een haze in versterkte mate optreedt, kan dit leiden tot een verminderd contrast (met name merkbaar bij schemering) of een tijdelijk verminderd gezichtsvermogen. Na 3 tot 12 maanden is de helderheid in principe weer hersteld.
Slechts bij een zeer gering aantal personen blijft ook dan nog enige troebeling in het hoornvlies zichtbaar. Meestal zal op de lange duur de troebeling spontaan verdwijnen, al kan dat wel 2 jaar duren. Deze storende haze komt niet vaker voor dan in 1-2% van de gevallen en kan uiteindelijk tot een tegenvallend resultaat leiden. Zo nodig zal een nabehandeling verricht worden. Of er verschillen zijn in haze-vorming tussen de PRK, en (epi-)LASEK is niet duidelijk (d.w.z. niet eenduidig in de literatuur, zie referentie JCRS 2011; 1832).

d) Halo’s (strooilicht)
In de eerste maanden na de behandeling kunnen bij een klein deel van de mensen halo’s optreden. Hierbij is een cirkelvormige reflex aanwezig in het beeld bij schemerverlichting. Patiënten zien verblindende kringen en strepen rondom lichtbronnen (halo’s). Halo’s is een wazig beeld om het scherpe hoofdbeeld, dat ontstaat door de dubbele breking van het licht in het overgangsgebied van behandeld en onbehandeld hoornvlies. Met name ’s avonds (bij wijde pupillen) kunnen halo’s worden gezien.  De autolampen waaieren uit tot lichtkransen, zoals ook bij het dragen van harde contactlenzen regelmatig voor (contactlensdragers zien soms ook dit verschijnsel als ze door de rand van de contactlens kijken). Door gewenning worden deze verschijnselen na verloop van tijd als minder storend ervaren. Vlak na de operatie treden bij veel mensen halo-klachten op, maar normaal nemen deze na ongeveer 3 maanden weer af, maar soms blijven ze bestaan.
Op de website www.oogartsen.nl ziet u bij rubriek stoornissen in de waarneming wat patiënten zien bij halo’s.
De bijverschijnselen (halo’s en glare) worden veroorzaakt door complexe brekingsafwijkingen (zie folder aberraties).

  
toestemming visionsimulation.com
e) Ultraviolet licht
De behandelde ogen dienen de eerste vier maanden beschermd te worden tegen (overmatige) ultraviolet licht (zonvakanties aan het strand, in de sneeuw en onder de zonnebank) door een goed afsluitende zonnebril. U dient rekening te houden met een genezingsfase van 2-4 maanden. Reeds enkele weken na de behandeling is er een bruikbaar resultaat, maar het uiteindelijke stabiele effect wordt pas na maanden bereikt.

f) Onregelmatig hoornvliesoppervlak (astigmatisme)
Een onregelmatige lichtbreking door het hoornvliesoppervlak kan optreden bij littekenvorming, onregelmatige epitheelgenezing, een excentrische behandeling (laserbehandeling heeft niet precies in het midden van het hoornvlies plaatsgevonden) of een combinatie van factoren.
In <1% van de gevallen doet zich dit probleem voor, met als gevolg een verminderd zien of contrastverlies.
De term astigmatisme wordt uitvoerig beschreven op de website bij “Brilsterkte / astigmatisme”.

g) Leesbril na de laserbehandeling
Na het 42e levensjaar wordt het accommodatievermogen van de eigen ooglens (instellen voor dichtbij kijken) minder. Dit is een normaal verouderingsverschijnsel. Patienten boven deze leeftijd dienen er dus rekening mee te houden dat, wanneer de bijziendheid (myopie) verdwijnt door de laserbehandeling, een leesbril meestal nodig is om dichtbij scherp te kunnen zien.

h) Infecties
Infecties na de behandeling treden slechts zelden op (in 0.02% tot 0.2% van de lasers). Vaak treden ze na de behandeling op < 1 week maar meestal in ieder geval < 1 maand (90%) (ref. JCRS 2011; 1822).

i) Oogdruk
Hoewel de oogdruk (IOP) na een behandeling niet veranderd, wijzigt wel de oogdrukmeting. Bij een behandeling voor myopie, is de gemeten oogdruk na de operatie lager dan de oogdruk vóór de operatie (je meet de oogdruk dus lager dan dat die in werkelijkheid is). Er moet dus een correctie plaatsvinden van de gemeten oogdruk. Dit wordt veroorzaakt door het afvlakken van het hoornvlies waardoor de stevigheid ervan afneemt. De oogdrukmeting verloopt daardoor niet correct. Bij een PRK zijn de meetfouten wat geringer dan bij de LASIK. Bij een myope correctie is de meetfout hoger dan bij een hypermetrope correctie (voor details met formules, zie onderaan de folder).

9. Animatiefilm

 

10. Aanvulling / details oogdrukmeting na een laserbehandeling.
Hoewel de oogdruk (IOP) na een behandeling niet veranderd, wijzigt wel de oogdrukmeting. Bij een behandeling voor myopie, is de gemeten oogdruk na de operatie lager dan de oogdruk vóór de operatie (je meet de oogdruk dus lager dan dat die in werkelijkheid is). Er moet dus een correctie plaatsvinden van de gemeten oogdruk. Dit wordt veroorzaakt door het afvlakken van het hoornvlies waardoor de stevigheid ervan afneemt. De oogdrukmeting verloopt daardoor niet correct.

Globaal daalt de gemeten oogdruk met 3-5 mmHg (range +2 tot -10 mmHg). Deze IOP-daling is afhankelijk van de hoogte van de bijziendheid vóór de operatie (bijv. de meting is -4 mmHg bij een correctie van -4 D en kan oplopen tot -7 mmHg bij een correctie van -10 D). Dit is in een formule uit te drukken: Voor PRK geldt, indien de oogdruk voor de operatie onbekend is, als volgt:
IOP[gecorrigeerd]= IOP[gemeten ná de operatie] + 2.5 – (0.4 *Refractie preoperatief). Bijv. stel je meet bij een myopie van -6 D een oogdruk ná de operatie van 20 mmHg, dan is de feitelijke oogdruk IOP[correctie] = 20+2.5+2.4 = 24.9 D.

Globaal daalt de gemeten oogdruk met 3-5 mmHg (range +2 tot -10 mmHg). Deze IOP-daling is afhankelijk van de hoogte van de bijziendheid vóór de operatie (bijv. de meting is -4 mmHg bij een correctie van -4 D en kan oplopen tot -7 mmHg bij een correctie van -10 D) en ook afhankelijk van de oogdruk vóór de operatie (IOP-preoperatief).

De oogdrukverandering is ook afhankelijk van de oogdruk vóór de operatie (IOP-preoperatief). Bij een hogere oogdruk vóór de ingreep daalt de gemeten oogdruk relatief meer. Ook dit kan meegenomen worden in een formule: IOP[gecorrigeerd] = IOP [gemeten] -3.5 – (0.4*refractie preoperatief)+(0.4*IOP-preoperatief). Bijvoorbeeld een myopie van -10 D wordt gecorrigeerd, waarbij de oogdruk ervoor 30 mmHg was en erna 20 mmHg was, dan is IOP[correctie] = 20 – 3.5 +4 + 12 = 32.5 mmHg

Uit een artikel worden de volgende formules beschreven (Ophthalmology 2015; 471)

  • Indien geen IOP vóór de operatie bekend is:
    • myope PRK        –> IOP[gecorrigeerd]= IOP[gemeten ná operatie] + 2.5 – (0.4*Refractie preoperatief)
    • myope LASIK     –> IOP[gecorrigeerd]= IOP[gemeten ná operatie] + 3.6 – (0.4*Refractie preoperatief)
    • hyperope PRK    –> IOP[gecorrigeerd]= IOP[gemeten ná operatie] + 1
    • hyperope LASIK –> IOP[gecorrigeerd]= IOP[gemeten ná operatie] + 2.15
  • Indien wel een IOP voor de operatie bekend is:
    • myope PRK        –> IOP[gecorrigeerd]= IOP[gemeten ná operatie] – 3.5 – (0.4*Refractie preoperatief) + (0.4*IOP-preoperatief)
    • myope LASIK     –> IOP[gecorrigeerd]= IOP[gemeten ná operatie] – 3.9 – (0.4*Refractie preoperatief) + (0.4*IOP-preoperatief)
    • hyperope PRK    –> IOP[gecorrigeerd]= IOP[gemeten ná operatie] – 3.4 + (0.3*IOP-preoperatief)
    • hyperope LASIK –> IOP[gecorrigeerd]= IOP[gemeten ná operatie] – 3.4 + (0.4*IOP-preoperatief)
Scroll naar top