Oogzenuw ontsteking (neuritis optica)

Oogzenuw ontsteking (neuritis optica)

Inhoudsopgave

  1. Wat is de oogzenuw?
  2. Wat is een oogzenuwontsteking (neuritis optica)
  3. Klachten
  4. Onderzoeken
  5. Indeling van een neuritis optica
  6. Oorzaken
    • geïsoleerde neuritis optica (onbekende oorzaak)
    • demyeliniserende neuritis optica (geisoleerd of MS)
    • para-infectieuze neuritis optica
    • infectieuze neuritis optica
    • niet-infectieuze neuritis optica
  7. Behandeling van een oogzenuwontsteking
  8. Prognose
  9. Recidief (herhalings) kans
  10. Animatie film

1. Wat is de oogzenuw?
Aan het einde  van de folder vindt u een animatiefilm over de oogzenuw en oogzenuwontsteking. Om iets meer inzicht te krijgen in deze aandoening is wat meer kennis nodig over de oogzenuw en de bloedvoorziening.
 

Achterin het oog bevindt zich de oogzenuw (nervus opticus). Het is in feite de informatie- of elektriciteitskabel die het oog verbindt met de hersenen; de beelden die we zien worden doorgestuurd van ons oog naar de hersenen. De plek waar de oogzenuw vast zit aan de oogbol heet de kop van de oogzenuw (papil).
 
Alle zenuwen afkomstig van de staafjes en kegels komen tezamen in deze papil; dit zijn ruim 1.4 miljoen zenuwvezels. Op de plaats van de papil zitten géén zintuigcellen waardoor men hier niet mee kan kijken. Dit wordt de blinde vlek genoemd. De oogzenuw loopt in de oogkas naar achteren en gaat door een opening in de schedelbasis naar de hersenen toe. Vrijwel direct daarna kruist een gedeelte van de zenuwvezels van het rechter en linker oog elkaar (deze kruising wordt het chiasma opticum genoemd).
  
Vanuit de kruising lopen van beide ogen alle signalen die uit het rechterdeel van het gezichtsveld komen via de linker oogzenuwbaan naar het ziencentrum links (in de hersenen). Alle signalen uit het linker gezichtsveld van beide ogen gaan naar het ziencentrum rechts.

2. Wat is een oogzenuwontsteking (neuritis optica)
Bij een ontsteking van de oogzenuw, neuritis optica genoemd, raakt de zenuw gezwollen en rood en werken de zenuwvezels niet goed meer. Als er veel vezels aangedaan zijn, gaan we minder zien. Maar als de ontsteking mild is, kan het gezichtsvermogen bijna normaal zijn. De ontsteking bevindt zich meestal achter de kop van de oogzenuw (papil) en is in feite voor de oogarts niet zichtbaar. Vaak ziet deze papil er normaal uit (niet gezwollen). Soms is de papil wel gezwollen, hetgeen er als volgt uitziet:
binnenzijde oog (netvlies, bloedvaten, oogezenuw)  

3. Klachten
Een oogzenuwontsteking komt vooral bij jonge mensen voor, met name in de leeftijdscategorie 15-50 jaar (gemiddelde leeftijd is 32 jaar). De aandoening komt vaker voor bij vrouwen (65-75%) dan bij mannen .

  • Een oogzenuwontsteking ontstaat meestal vrij plotseling in de loop van dagen tot weken. Het gezichtsvermogen neemt dan af (aanvang bij ongeveer 2-5 dg) maar verslechtert vaak niet meer na 2 wk (subacute visusdaling binnen enkele dagen). Het wazige beeld ontstaat in één, soms beide, ogen (een subacute monoculaire visusdaling). Het verlies van het gezichtsvermogen (visus) betreft meestal het centrale deel (zie later bij onderzoek). Het gezichtsvermogen kan in de loop van één of twee weken slechter worden. Vaak begint het herstel van het gezichtsvermogen < 4 wk weer op.
  • De kleuren zijn anders, m.n. voor de rode kleur (dyschromatopsie). Het lijkt alsof iemand het licht zachter heeft gedraaid. Het contrast wordt minder.
  • Er kan wat pijn rondom het oog of rond de oogkas bestaan (> 80-90% van de gevallen), vaak als de ogen bewogen worden. Deze pijn gaat vaak vooraf aan de daling van  het gezichtsvermogen, dat is bij 90% het geval.
  • De klachten (bijv. minder zien) kunnen tijdelijk verergeren bij toename van de lichaamstemperatuur, bijv. bij lichamelijke inspanning of na een heet bad of hete douche (het Uhthoff fenomeen).
  • Sommige patiënten ervaren kleine witte of gekleurde flikkeringen of sterretjes (positieve visuele fenomenen of fosfenen genoemd) die enkele dagen kunnen duren. Hoofdpijn of een gevoelige oogbol komen soms voor.

4. Onderzoek
De oogarts zal een uitgebreid oogheelkundig onderzoek verrichten om de juiste diagnose te stellen, bijvoorbeeld het meten van het gezichtsvermogen, het beoordelen van de pupilreacties (er is een afwijkende reactie op licht), het bekijken van de oogzenuw nadat de pupil verwijd is met druppels. Soms wordt nog een fluorescentie angiogram (contrastonderzoek) verricht. Meestal wordt ook het gezichtsveld onderzocht.

4a) Oogonderzoek:
Bij het oogonderzoek wordt het volgende waargenomen:

  • Het gezichtsvermogen (visus) daalt meestal naar 10% tot 30%, hierna neemt de visus meestal weer toe.
  • Bij een oogzenuwontsteking kan de papil (kop van de oogzenuw) een normaal aspect hebben (dit doet zich het vaakst voor). Dit komt doordat niet de hele oogzenuw wordt aangetast, maar slechts een klein plekje dat bijvoorbeeld 1-3 cm achter de oogbol gelegen is (neuritis retrobulbaris genoemd). Als de ontsteking zich direct achter de oogbol bevindt, ontstaat er wel zwelling van de papil (papillitis genoemd): zie voorbeeld
    – Linker foto: een normaal netvlies met een normale oogzenuw van het rechter oog
    – Rechter foto: een afwijkende oogzenuw (zwelling met bloedingen) van het linker oog
        
    Bij een typische neuritis optica is de papil in ongeveer 10-33% gezwollen. Er worden geen bloedinkjes waargenomen.
  • Soms wordt in het andere oog een wat blekere oogzenuw gevonden (temporale bleekheid), hetgeen suggereert dat het partner-oog in het verleden een neuritis heeft ondergaan zonder klachten (asymptomatisch).
  • Overige: Verder onderzoek naar tekenen van een dysfunctionerende oogzenuw zijn oa: een afwijkende pupilreflex (RAPD, relatief afferent pupildefect genoemd, een verminderd kleurenzien (dyschromatopsie) en een verminderde contrastgevoeligheid.

4b. Gezichtsveld
Bij een neuritis optica ontstaan afwijkingen in het gezichtsveld (zie folder). Gezichtsvelduitval kan alle vormen aannemen. De volgende gezichtsveldafwijkingen zijn mogelijk (in volgorde van frequentie):

  • uitval of verminderde gevoeligheid van een groot centraal gebied van het gezichtsveld (het 30 graden gebied; in ± 50% van de gevallen). Dit wordt een centraal scotoom genoemd.
  • het verloop van een vezelbundel (vezelbundelscotoom genoemd, d.w.z. een boogvormige uitval in het onderste of bovenste deel van het gezichtsveld).
  • uitval van een groot deel van de onderhelft of bovenhelft van het gezichtsveld (altitudinaal scotoom; 15%  van de gevallen).
  • uitval van een klein centraal gebiedje (10 graden gebied; centraal scotoom; ± 10% van de gevallen)
  • uitval van een klein centraal gebied met een uitloper naar de buitenkant (centro-coecaal scotoom)

Op de website www.oogartsen.nl in de folder stoornissen in de waarneming ziet u hoe een patiënt een voorwerp in werkelijkheid waarneemt. Dit is een voorbeeld van een gezichtsveldonderzoek bij een patiënt met een centrale gezichtsvelduitval. Het centrale zicht is donkerder [grote zwarte blokjes], hierna een rand grijs [lichtgrijze blokjes] en hierbuiten een normaal gebied [zwarte kleine blokjes].


Centrale uitval (centraal scotoom)
4c. Overig onderzoek
MRI-scan:
Op de MRI scan kleurt de oogzenuw is in 94% van de gevallen aan  (maar een MRI scan is voor de klinische diagnose niet noodzakelijk).

VEP:
Soms wordt een elektrofysiologisch onderzoek (VEP) verricht, waarmee de functie van de oogzenuw wordt beoordeeld (in principe is deze test niet nodig). Bij aanwijzingen voor een neurologische aandoening, wordt de patiënt verwezen naar de neuroloog. Een MRI scan is soms nodig (bijv. als de patiënt wil weten wat de kans op MS is).

OCT scan (netvlies scan):
Met een OCT scan wordt een dwarsdoorsnede van het netvlies gemaakt. Het netvlies is opgebouwd uit 10 lagen.

Een normale netvliesscan
Vergelijkbaar met de hersenen kunnen ook de zenuwvezels van het netvlies aangedaan raken bij MS-patiënten (multiple sclerose). Uit onderzoek blijkt dat bij MS-patiënten de binnenste netvlieslagen in de gele vlek (macula) dunner zijn dan normaal (de binnenste lagen zijn de zenuwvezellaag NFL, de ganglioncellaag GCL en de inner plexiform layer IPL). Ook de zenuwvezellaag (NFL) rondom de oogzenuw is verdund. Dit geldt voor MS patiënten met en zonder een doorgemaakte oogzenuwontsteking (ref Ophthalmology 2013; 387). Deze metingen zijn gecorreleerd met het gezichtsvermogen en ‘kwaliteit van leven’ [Ophthalmology 2012;1250]. Dit onderzoek met de OCT-scan staat overigens nog in de kinderschoenen en is geen standaard onderzoek dat wordt verricht bij MS-patiënten.

gedetailleerder:
De binnenste lagen zijn de NFL (nerve fiber layer), de GCL (gangliocel-layer) en de IPL (inner plexiform layer) [zie folder over de bouw van het netvlies]. Uit onderzoek blijkt dat de dikte van de NFL in het centrum van het netvlies (maculaire-NFL) en rondom de oogzenuw (peripapillaire-NFL), de dikte van de GCL+IPL en de dikte van alle 3 lagen tezamen (NFL+GCL+IPL) geringer zijn bij MS-patiënten dan bij niet-MS-patiënten. Tevens blijken deze lagen dunner te zijn bij MS-patiënten met een doorgemaakte neuritis optica dan bij MS-patiënten zonder een doorgemaakte neuritis optica.

5. Indeling van een neuritis optica
Globaal kent met 2 vormen:

  1. de “Typische” neuritis optica.
    • Deze vorm heeft bovengenoemde kenmerken: de daling van de gezichtsscherpte wordt in 90% voorafgegaan aan door pijn, positieve visuele fenomenen, verlies van kleurenzien, subacute visusdaling binnen enkele dagen).
    • éénzijdige aandoening
    • een plotselinge, tijdelijke vermindering van het gezichtsvermogen in 2-5 dg (waarbij de verslechtering stopt na 2 wk; het herstel begint binnen 4 wk en is vaak binnen 6 maanden weer in 85% van de gevallen compleet). Meestal is één oog aangedaan.
    • een leeftijd van 15-45 jaar (jong volwassenen), vaker bij vrouwen (65%) voorkomend.
    • een pijnlijk oog (of toename bij oogbewegingen, bij >80-90%)
    • oogonderzoek: geen opvallende bevindingen (een gezwollen oogzenuw wordt niet vaak gevonden), een normaal netvlies (fundusbeeld) en soms een licht gezwollen oogzenuw zonder bloedinkjes (10-50%).
    • gezichtsveldafwijking (uitval van het gezichtsveld in het centrum of een boogvormige uitval, 90%).
    • pupilreacties: een afwijkende pupilreactie.
    • herstel begint meestal 4-6 wk na start van de symptomen.
    • Overige: ongeveer 20% is ten tijde van de oogzenuwontsteking bekend met MS. Behandeling is in principe niet nodig. Bij deze vorm lijkt een auto-immuun proces een rol te spelen (het afweersysteem in het lichaam richt zich tegen eigen weefsels), waarschijnlijk gericht tegen bepaalde onderdelen van de oogzenuw (optische myeline, oligodendrocyten). Er zijn enkele subvormen bekend: a) een geïsoleerde typische neuritis optica of een zgn ‘clinically isolated syndrome” (een eerste klinische episode van verschijnselen die suggestief zijn voor MS) en b) een neuritis optica bij MS.
  2. de ‘Atypische” neuritis optica (deze vorm komt erg weinig voor)
    Verdenking hierop treedt op als het beeld niet “typisch” is, zoals: het gezichtsvermogen daalt verder na 2 wk of er treedt geen verbeterting op binnen 4 wk, aanvang op een andere leeftijd (< 15 jr of > 45 jr), bij optreden in beide ogen, geen pijn rondom het oog,  bij een atypisch beeld bij oogonderzoek, de aanwezigheid van andere lichamelijke ziekten of een atypische MRI scan. Behandeling kan wel nodig zijn. De ontstaanswijze is niet altijd bekend (infectie, ontsteking van bloedvaatjes). De volgende vormen worden onderscheiden:

    • NMO (neuromyelitis optica) gerelateerde neuritis optica (Devic syndroom). Bij deze vorm is er sprake van een neuritis optica gecombineerd met een myelitis (ontsteking van het ruggenmerg). T.o.v. de “typische neuritis optica” geldt voor de NMO: de oogzenuwontsteking is het eerste verschijnsel in ongeveer 50% van de gevallen, de neuritis kan in 20% van de gevallen beiderzijds voorkomen (bij MS- gerelateerde neuritis is dit slechts 2%), de gezichtsscherpte (visus) tijdens presentatie is lager (bij de typische vorm is de visus ≤ 0.1 in 45% en bij NMO is dat 80%), de prognose bij NMO is slechter).
    • Neuritis optica bij MOG (Myeline Oligodendrocyten Glycoproteine). Hierbij maakt het lichaam antilichamen tegen MOG. MOG speelt een rol in de opbouw van de myelineschede (isolatielaagje) van de zenuw. Het wordt gekenmerkt door een ernstige oogzenuwzwelling (soms met bloedinkjes), een dubbelzijdige neuritis, een recidiverende (terugkomende) neuritis en een ernstig verlies van het gezichtsvermogen.

6. Oorzaken van een neuritis optica
Veel ziekten kunnen een ontsteking van de oogzenuw veroorzaken. De zenuw van één of beide ogen kan aangedaan zijn. Oorzaken, en daarmee een andere indeling van neuritis, kunnen zijn:

6a.  Geïsoleerde neuritis optica
Bij een geïsoleerde neuritis optica is alleen een oogzenuwontsteking aanwezig. Meestal is geen oorzaak voor de oogzenuwontsteking te ontdekken en is het een geïsoleerde, op zich staande, aandoening.

6b. Demyeliniserende neuritis optica
Rondom de zenuwen zit een myelineschede (soort isolerend laagje). Bij een demyeliniserende aandoening verliezen de zenuwen hun isolatiemateriaal waardoor de zenuwgeleiding verstoord raakt (demyelinisatie genoemd). Dit treedt op in de witte stof van de hersenen, de hersenstam en het ruggemerg. Zenuwen hierbuiten (ledematen) zijn niet aangedaan. Bij een demyeliniserende aaandoening kunnen ook oogheelkundige problemen aanwezig zijn. Voorbeelden hiervan zijn:

  • Geïsoleerde neuritis optica. Dit is een ontsteking waarbij geen aanwijzingen zijn voor een gegeneraliseerde demyelinisatie (hoewel een deel dit toch uiteindelijk krijgt).
  • MS (multiple sclerosis). Dit komt het vaakst voor. Er is een associatie tussen neuritis optica en MS.
    • De aandoening presenteert zich m.n. tussen het 20e en 50e levensjaar (gemiddeld 30 jaar) met subacute vermindering van het gezichtsvermogen in 1 oog. Sommige patiënten ervaren positieve visuele fenomenen (phosphenen genoemd) zoals kleine witte of gekleurde flitsen en flikkeringen. Een onaangenaam gevoel of pijn in of rond het oog treedt gewoonlijk op en verergert vaak bij oogbewegingen. Dit kan vóór of tijdens de vermindering van het gezichtsvermogen optreden. Soms is een voorhoofdspijn of gevoelige oogbol aanwezig. De oogheelkundige bevindingen kunnen bestaan uit: een verminderd gezichtsvermogen (meestal een gezichtsscherpte van 10 tot 40%), dyschromatopsie (kleurveranderingen), een verminderde waarneming van licht of contrast, een normale oogzenuw (een retrobulbaire neuritis, hoewel de oogzenuw gezwollen kan zijn [papillitis]), bleekheid van een deel van de oogzenuw van het andere oog (wijzend op een doorgemaakte neuritis in het partner oog) en een afwijkend gezichtsveld. Het gezichtsvermogen vermindert vaak in de loop van enkele dagen tot 2 weken en begint zich te herstellen binnen 2-4 weken (het herstel is in de beginperiode het snelst, maar kan 6-12 maanden duren). Bij ongeveer 75% van de patiënten herstelt het gezichtsvermogen zich tot > 60%, bij 85% van de patiënten tot 50% of meer. Ondanks dit herstel van het gezichtsvermogen, kunnen restverschijnselen aanwezig blijven (zoals verandering van kleurwaarneming, contrastgevoeligheid of licht waarneming).
    • Bij 15-25% van de patiënten is een neuritis het eerste teken van manifestatie van MS (zonder dat er andere klachten van MS aanwezig zijn). De diagnose MS is dan dus nog niet gesteld. Dit wordt ook wel een ‘clinically isolated syndrome” genoemd (ofwel, een eerste klinische episode van verschijnselen die suggestief zijn voor MS. Dit kan op 1 plaats zijn in het centraal zenuwstelsel, bijv de oogzenuw of ruggemerg of hersenstam of in de kleine hersenen).
    • Bij 50% van de MS-patiënten treedt ooit in het leven een keer een neuritis optica op.
    • De kans op MS na het doormaken van een eerste neuritis optica is ongeveer 30% binnen 5 jaar tijd en  50-60% na 15 jaar. Het risico op MS bij patiënten die een neuritis optica hebben doorgemaakt, is echter afhankelijk van de bevindingen op een MRI scan van de hersenen. Indien op de scan afwijkingen (lesies) zichtbaar zijn, is het risico op het ontwikkelen van MS in de toekomst hoger (zonder MRI-afwijkingen is de kans ongeveer 20-25% en met MRI-afwijkingen 50-75% binnen 10-15 jaar).
    • Het risico op MS is iets hoger bij: het ontstaan van de neuritis in de wintermaanden, een positieve HLA-DR2 (bepaalde genetische kenmerk) en de aanwezigheid van het Uhtoff fenomeen (zie bij klachten).
    • Bij een patiënt waarbij zich MS ontwikkelt, is de prognose redelijk: zo blijkt dat 95% van de patiënten kan blijven lopen zonder hulp.
    • Onderzoek. Er wordt onderzoek gedaan naar de dikte van het netvlies en MS. Met een OCT-scan kan de dikte van de netvlieslagen worden gemeten. Dit onderzoek staat nog in de kinderschoenen. Enkele resultaten hiervan:
      • MS-patiënten hebben een dunnere retina zenuwvezellaag (NFL) en macula dan gezonde personen, ook bij MS-patienten die geen neuritis optica hebben doorgemaakt. De bevindingen zijn wel duidelijker aanwezig als zich een neuritis heeft voorgedaan [voor ref Ophthalmology 2014; 573]. Deze verdunning wordt waarschijnlijk veroorzaakt door degeneratie van de GCL en de bijbehorende zenuwvezels (axonen), al of niet na een doorgemaakte neuritis optica.
      • Bij OCT-onderzoek van het netvlies rondom de gele vlek (paramaculair) blijken alle retinalagen dunner te zijn bij MS-patiënten dan bij gezonde mensen (behalve de ILM). Echter, met name de binnenste netvlieslagen zijn dunner dan normaal (atrofie retinalagen): mn de lagen NFL, GCL, IPL, INL. De vermindering in dikte van de GCL en IPL hebben een voorspellende waarde voor de axonbeschadiging bij MS-patiënten (de ernst van de aandoening) [Ophthalmology 2014; 573]. Anders gezegd, hoe dunner deze netvlieslagen zijn des te ernstiger het ziektebeeld is. Ook bij patiënten die nog geen duidelijke neuritis hebben doorgemaakt, worden deze afwijkingen gevonden (maar wel in mindere mate dan bij patiënten die wel een neuritis hebben gehad).
  • Overige demyeliniserende afwijkingen, zoals de ziekte van Devic (neuromyelitis optica) of de ziekte van Schilder.

6c. Para-infectieuze neuritis optica
Een neuritis optica kan geassocieerd zijn met verschillende virusinfecties. Voorbeelden zijn bof, mazelen, na een gewoon ‘kou-tje’ of verkoudheid (influenza-achtig) of waterpokken. Het virus kan de schede van de oogzenuw direct of door een vertraagde immunologische reactie (postvirale neuritis optica) aantasten. Dit komt met name voor bij kinderen, meestal in beide ogen en treedt meestal tegelijkertijd op. De klachten beginnen vaak 1 tot 3 weken na de virale infectie en bestaan uit een acute vermindering van het gezichtsvermogen (soms van beide ogen). Andere neurologische klachten, zoals hoofdpijn, epilepsie of bewegingsstoornissen kunnen aanwezig zijn. De oogzenuw is vaak gezwollen (papillitis). De prognose is meestal goed.

6d. Infectieuze neuritis optica
Bij deze vorm van neuritis optica spelen andere infectiehaarden een rol. Vaak zijn er andere oogheelkundige afwijkingen (inwendige oogontstekingen) aanwezig. Voorbeelden zijn:
– infecties in de bijholten (sinusitis)
– de kattekrab ziekte (Bartonella henselae)
– syphilis
– ziekte van Lyme (Borrelia burgdorferi ofwel de tekenbeetziekte)
– cryptococcen meningitis (hersenvliesontsteking)
– varicella zoster virus (gordelroos)

6e. Niet- infectieuze neuritis optica
Zeldzamere aandoeningen die een neuritis kunnen veroorzaken, zijn:
– sarcoidose
– auto-immuun aandoeningen

7. Behandeling van een oogzenuwontsteking
Behandeling van een “typische” neuritis optica is in principe niet nodig. Meestal treedt herstel van het gezichtsvermogen in belangrijke mate op. Hoge dosis corticosteroïden (prednison) beïnvloeden de snelheid van herstel wel, maar de mate van herstel van de oogzenuwontsteking niet. Het eindresultaat, het herstel van gezichtsscherpte, blijkt met óf zonder behandeling gelijk te zijn. Mogelijk is de kans op een tweede aanval in de toekomst iets minder groot na een prednisonbehandeling (in hoge doseringen via het infuus).
In verband met mogelijke bijwerkingen worden corticosteroïden niet standaard toegediend.

In de wereld bestaat geen eenduidige overeenstemming over de behandeling. In principe is een behandeling niet nodig. Hoewel arbitrair, zou er gekozen kunnen worden voor een hoge dosis prednison om het herstel van het gezichtsvermogen (visus) wat te verspoedigen, bijv.  indien de visus van het neuritis-oog erg slecht is (bijv. minder dan 10%), indien beide ogen zijn aangedaan (bilaterale neuritis), indien het andere oog al een lage visus heeft (om welke reden dan ook) of indien er aanwijzingen zijn voor MS. De behandeling beinvloedt dus niet het uiteindelijke resultaat van de visusuitkomst en heeft ook potentiele bijwerkingen. De meeste patiënten krijgen dan ook geen prednisonkuur. Indien er toch gekozen wordt voor een behandeling, dan bestaat deze uit een megadosis prednison via het infuus (meestal 3 dagen), gevolgd door een afbouwschema met prednison in tabletvorm. Als wordt besloten tot deze prednisonbehandeling dan gaat dit per infuus en wordt de patiënt opgenomen in het ziekenhuis.
Een primaire behandeling met een lagere dosis prednison in tabletvorm wordt vaak niet gedaan omdat dit het herstel niet bevordert en de kans op een recidief (herhaling) van een neuritis vergroot (hoewel latere onderzoeken laten zien dat prednison in tabletvorm ook tot de mogelijkheden behoort).
Het is mogelijk dat in de toekomst ook medicijnen worden gegeven, mn als de aandoening regelmatig terugkomt (shubs genoemd). De doelstelling is dan het verminderen van het aantal shubs (mogelijke bijwerkingen bij het gebruik hiervan zijn het ontstaan van vocht onder het netvlies; macula-oedeem genoemd).

8. Prognose
Gelukkig herstellen de meeste oogzenuwontstekingen vanzelf, maar het herstel duurt vaak maanden. Vaak begint het herstel van het gezichtsvermogen < 4wk en komt de gezichtsscherpte (visus) grotendeels terug in de loop van enkele weken (90-95% van de gevallen), meestal binnen de 6 maanden. In een studie (Optic Neuritis Treatment Trial) met een follow up van 5 jaar bleek het volgende:
– bij 95% van de patiënten werd de visus ≥ 50%
– bij 87% van de patiënten werd de visus uiteindelijk 80-100%
– bij   7% van de patiënten werd de visus 50-70%
– bij   3% van de patiënten werd de visus 11-40%
– bij   3% van de patiënten werd de visus 1-10%
Een ernstige visusdaling bij aanvang van de ziekte heeft i.h.a. een slechtere prognose.
Bij veel patiënten zal het herstel echter niet helemaal compleet zijn. Vaak blijven er restverschijnselen aanwezig (90% van de patiënten), bijvoorbeeld veranderde kleuren, verminderd contrast of dieptezien. Bij anderen blijven delen van het gezichtsveld onscherp.

9. Recidief (herhalings) kans
De ziekte kan op zichzelf staan en nooit meer terug komen, maar het is ook mogelijk dat de zenuwontsteking zich herhaalt in hetzelfde of het andere oog (in 28% van de gevallen). Ook bij patiënten waarbij de aandoening op een later tijdstip terugkomt (recidief), is de prognose voor het gezichtsvermogen i.h.a. goed. Ongeveer 10% van de patiënten ontwikkelt een chronische neuritis optica, gekenmerkt door een langzaam verergerende of stapsgewijze vermindering van de visus, zonder dat er een periode van herstel plaatsvindt.

10. Animatiefilm (Engels)

Scroll naar top